Een moedige moeder in het Roeddörrep
Auteur(s): een anonieme ooggetuige in gezelschap van zijn echtgenoteDe bezoeker vertelt over de trieste gebeurtenissen in het Roeddörrep direct na het bombardement van 18 augustus 1944.
"Ik woonde destijds in de Antoon Bieleveltstraat. Ons huis werd door één van de bommen verwoest. Het was in ieder geval voor méér dan de helft kapot - laat ik zeggen van onderen naar boven liep het scheef weg [maakt gebaren]. Hier had je de huiskamer. Onze inboedel was vrijwel volledig vernield en lag als niet opgeruimd speelgoed op straat. De slaapkamers waren halverwege weggevaagd. Op dat moment waren alleen mijn moeder en mijn zusje thuis. Pap was naar de kapper, mijn beide broers waren er niet en ik liep op de Franciscus Romanusweg. Was dat 's nachts gebeurd, dan had beslist niemand het overleefd. Ik moet zeggen dat ik een geweldig vertrouwen had in mijn Mam, een godsvertrouwen, zo zwaar als ze het al had. Daarentegen waren wij ketters. Ze pakte mijn zusje van zes op, heeft haar onder zich ingeduwd in de richting van het kleine keldertje dat we hadden - dat was twee trapjes naar beneden, circa één vierkante meter in omvang; meer een nestje - en wachtte daar totdat alles voorbij was. Direct daarna is ze met mijn zusje het huis, of wat daar van over was, uitgerend naar de schuilkelders aan de Franciscus Romanusweg. Ze hadden zelfs geen schrammetje. Wanneer je je realiseert wat er daar beneden allemaal stuk was om haar heen…. Zou je dat tegen anderen vertellen, dan gelooft niemand je en zeggen ze je dat je overdrijft. Het leek wel alsof ze haar temidden van de rommel hadden neergezet. Ze zat enkel onder een laag stof. Neem je de afstand van ons huis aan de Antoon Bieleveltstraat nummer 9 richting de schuilkelders in aanmerking, dan was dat een behoorlijk eind rennen of lopen. Natuurlijk werd er daarna nog lang over gesproken. Veel mensen die we kenden hebben het niet overleefd….Elands, de Zwart…. Het was een geweldige buurt; iedereen kende elkaar en groette elkaar. Je blééf goedendag zeggen.
Toen de bommen gevallen waren zag ik een paard uit de vlammen komen, de kar achter zich aanslepend. Het was van de bierhandel uit Borgharen. Het arme dier steigerde in zijn tuig… onvoorstelbaar… en ik zag het levend verbranden…. Heel triest.
Je was kind en ineens was je een oude man in je belevingswereld. Je was op slag zovéél jaar ouder …Dat bracht de oorlog ons….
Er zijn ook mensen op en langs de Maas doodgebleven, schippers en vissers. Met de Zinkwit was het ook gebeurd. Die is eigenlijk niet meer herbouwd. De fabriek heeft daar nog jarenlang voor schut gelegen.
Wij verhuisden nadien naar de Duitse Poort, daarna naar de Statensingel, toen naar Blauw Dorp. "Ut Blowdörrep waor gei Roeddörrep!" We konden daar niet aarden. Uiteindelijk kwamen we in de Cocklerstraat terecht, niet ver van de Antoon Bieleveltstraat. Daar zijn we blijven wonen."
Terug naar het verhalenoverzicht