Een koffertje voor als er bommen vallen
Auteur(s): mevrouw Th. J.M. Dubois-IJsermansMevrouw Dubois maakte het bombardement van 18 augustus 1944 op het Roeddörrep van dichtbij mee. Een buurvrouw die met haar meeliep naar de schuilkelders kwam daarbij om.
"Ik woonde ten tijde van het bombardement op Roeddörrep met mijn ouders aan het Albertiplein nummer 15. Ons huis werd getroffen door het geweld. Na herbouw zijn mijn ouders er teruggekeerd, met mij natuurlijk! Toen ik mijn man leerde kennen waren er bijna geen woningen te krijgen en mijn moeder zei toen "Je bent toch maar alleen, kom maar zo lang hier wonen totdat er een nieuwe woning vrijkomt!"
Wij waren vijf maanden getrouwd toen mijn moeder plotseling overleed. Mijn vader was niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Zodoende zijn we in dat huis blijven wonen. Ik heb mijn vader 21 jaar lang verzorgd voordat hij naar een verzorgingshuis ging.
Ik was altijd verschrikkelijk bang wanneer er vliegmachines in de lucht waren, had dat al vaker meegemaakt. Thuis had iedereen zijn eigen koffertje. Toen ik weer iets hoorde sjaarde iech mie köfferke en rende naar de schuilkelders aan de Franciscus Romanusweg. Mevrouw de Jong, onze buurvrouw, liep mee en zei dat ze iets vergeten was. Ze liep terug naar huis, maar ik liep door. Dat was mijn geluk geweest want op het moment dat die bommen vielen had ik nèt de schuilkelders bereikt. Mevrouw de Jong is aan de overkant doodgebleven.
Vlak voordat het geweld losbarstte was mijn moeder thuis wat peertjes aan het wecken. Mijn vader zat achter op de bank zijn pijpje te roken. Toen hij toevallig naar boven keek, zag hij de bommen naar beneden komen. In één vaart sleurde hij mijn moeder mee de keuken in. Ook dat was hun geluk geweest want juist de twee muren van de keuken en de gang zijn blijven staan. Mijn zus lag in de gang en raakte slechts lichtgewond. Mijn vader had ook maar een paar schrammen. Intussen zat ik al in de schuilkelders. Veel mensen kwamen daar ook op af.
Pas na verloop van tijd kwam mijn vader naar binnen. Ons was aangezegd dat we in het geval van een ramp naar de kelders aan de Franciscus Romanusweg moesten vluchten, maar mijn ouders en mijn zus waren zodanig de kluts kwijt dat ze naar de schuilgelegenheden aan de Botermijn waren gegaan. Ze doolden daar wat rond en vroegen iedereen of ze mij gezien hadden. Toen mijn vader mij uiteindelijk terugvond, maande hij mij binnen te blijven want buiten lagen doden.
Wij hadden het gelukkig overleefd. Mijn ampa en ama woonden bij een broer van mijn moeder aan de Franciscus Romanusweg. Johan Lindeman, mijn opa, is omgekomen."
Terug naar het verhalenoverzicht