Een Franse graaf in een Maastrichtse 'speckkamer'

Auteur(s): Dr. A.J. Hanou

Pierre Antoine comte Tancrède d'Hauteville
In de vrijmetselaarsloges fladderen soms de meest vreemdsoortige vogels rond. Zo ook deze maçon van het eerste uur, midden 18e eeuw. Van hem zijn, dank zij een vervelende kwestie die zich in de loge"l'Astrée" in Utrecht afspeelde, onderstaande gegevens bekend geworden. In de loge loopt het allemaal zo hoog op dat zelfs het Hoofdbestuur er aan te pas moet komen. Pierre Antoine is een echte 'vreigeleer'.

Tijdens de vergaderingen in de loge over de gerezen problemen, komt een fameus libel aan de orde, getiteld Copia Authenticq van den gedeserteerden Roomsche priester du Tertre de Hauteville. Het min of meer publiek circulerend pamflet brengt de loge in een onmogelijke positie. Hauteville kan niet langer meer voorzitter blijven. Het komt zelfs tot een afsplitsing en een nieuwe loge wordt opgericht 'De Goede Trouwe'. Voor ons is dit alles minder interessant, belangrijker is, wat doet in 1760 een Franse graaf in Utrecht en wat heeft hij met Maastricht te maken? Aan de hand van de verslagen van logevergaderingen en andere daarin genoemde bewijsstukken kan het volgende verhaal gereconstrueerd worden.

Ooit heeft Hauteville in Frankrijk in hoge kringen verkeerd maar hij laat zelf in het midden wat de redenen zijn geweest dat hij er uit de gratie geraak is. Het schijnt wel ernstig geweest te zijn want hij is zelfs bang voor spionnen en daarom vraagt hij in 1760 aan de stad Utrecht een gewapend geleide. Voor de Franse justitie was het in die tijd een normale zaak haar onwelgevallige mensen met geweld uit het buitenland te ontvoeren.

Om aan informatie over hun voorzitter te komen, heeft men de bemiddeling van Franse vrijmetselaren ingeroepen. Die sturen officiële documenten. Daaruit blijkt het volgende. In een griffieverslag uit 1748 staat te lezen dat P.A. Hauteville in verschillende gevangenissen in Frankrijk heeft gezeten. Eens was hij priester in het bisdom Rennes (Bretagne) en was hij kapelaan in Porcherons. (Hij is er ...chassé a cause du scandale qu'il causait par sa mauvaise conduite). Door een niet nader omschreven schandaal, moet hij zijn ambt opgeven. Heeft hij het met een vrouw gehouden? Dat is niet duidelijk. Op zijn reizen is hij wel steeds in gezelschap van een vrouw. In ieder geval wil hij zich wreken op iemand die hij verdenkt, dat hij hem beschuldigt heeft. Daarvoor fabriceert hij een huwelijksbelofte, zogenaamd door deze man geschreven. Maar zijn valsheid in geschrifte komt aan het licht. Hij wordt ook in een huis van lichte zeden betrapt maar beweert dat hij daar als 'commissaire' in functie van de overheid was. Ook vanwege die leugen wordt hij in de gevangenis gezet. Onder voorwendsel dat hij ziek is wordt hij in een Parijs' hospitaal verpleegt. De gewezen kapelaan heeft vermoedelijk de nonnetjes voor zich ingenomen want hij maakt zelfs uitstapjes in de stad. Ondanks de meer dan uitvoerige verdedigingen waarmee hij de Franse ministers bestookt, wordt zijn vonnis in mei 1750 bevestigd en wordt hij verbannen naar Saumur. Nochtans onze avonturier gaat er niet naar toe, hij blijft gewoon in Parijs. Pas als er een nieuw arrestatiebevel is uitgevaardigd wordt neemt hij de benen naar Londen. Hij zoekt er, met zijn gezellin, onderdak bij een andere Franse gevluchte geestelijke die ook niet wars van het vrouwelijk schoon is. In Londen raakt hij betrokken in een geruchtmakende ontvoeringszaak. Vandaag de dag zou de kwestie het internationaal alle kranten weken lang bezig houden; een ontvoeringszaak van de markies de Fratteaux en pamfletten tegen de Franse koning en zijn maîtresse, madame de Pompadour. Voor de duidelijkheid, hoe interessant ook, laten wij dat verhaal nu rusten.

Omdat hem de grond onder de voeten te heet wordt ruilt Hauteville in 1753 Engeland in voor de Republiek. Hij komt via Brussel en Luik in Maastricht en wordt daar plotseling, op verzoek van de prins-bisschop van Luik, gevangen gezet. Hij wordt niet vastgehouden omdat hij nieuwe, of andere misdaden begaan heeft, maar louter en alleen tengevolge van zijn activiteiten in of tegen Frankrijk. Hauteville wordt door de vice-hoogschout van Brabantse zijde, Johan Bogaart, gearresteerd en is hij in een stricte naare Gevangenis gebracht. De ambtelijke molens maalden ook toen heel traag, getuige het volgende. Op 22 april 1754 buigen de Staten-Generaal zich over een verzoekschrift van mevrouw Jeanne Simone Cholet de Montvert, huisvrouw van P. Tancrède de Hauteville. Jeanne zegt dat zij uit angst voor de Franse vervolging en in de hoop op bescherming naar de Nederlanden zijn gevlucht. Uit Jeannes volgende rekwesten blijkt dat zij inmiddels naar Den Haag gekomen is en rechtskundige bijstand heeft ingeroepen. Ook dat zij en Hauteville jonge onnoosele Kinderen hebben. De schout is naar haar mening eigenmachtig te werk gegaan, Hauteville is nooit gehoord, en gelden, boeken en papieren zijn bij zijn arrestatie in beslag genomen en die moeten terug gegeven worden.

Op 8 april volgt nog een nieuw uitleveringsverzoek van de Luikse ambassadeur, de heer Hulft. Hij verzoekt de uitlevering van Hauteville opdat deze kan worden ... remis entre les mains de monsieur Durant d'Aubigny, ministre de France, qui l'a reclamé... Het is duidelijk, de Fransen zitten achter Hauteville aan.

Uit de gedrukte resoluties van de Staten-Generaal is het vervolg van de affaire goed te volgen. In ieder geval heeft Hauteville zich niet schuldig gemaakt aan nieuwe misdaden. Jeanne boekt haar eerste succes. De naar haar zeggen zeer zieke Hauteville mag bezoek ontvangen van haar in Maastricht verblijvende moeder en van A. Pelerin, Maastrichts professor in de medicijnen en schepen der stad. Ook moet de schout pandbriefjes teruggeven. De zaak komt in een stroomversnelling als de Franse ambassadeur in Den Haag, markies de Bonac, zich met de zaak gaat bemoeien. De gezant verzoekt bij de Staten-Generaal de uitlevering van Hauteville, wegens diens verregaande delicten. Hij weet alleen nog niet precies op te geven wat het zijn geweest: in zijn memorie staat valsheid in geschrifte en daarnaast heeft Hauteville in Engeland een aantal friponneries, schelmenstreken onder de naam Dutertre uitgehaald. Daar heeft hij ook verschillende infame pamfletten tegen zijne Majesteit van Frankrijk gepubliceerd. Maar echte bewijsstukken heeft hij nog niet uit Parijs ontvangen.

Op 5 augustus 1754 komt het antwoord van de Staten-Generaal op de Franse en Luikse verzoeken tot uitlevering. Luik heeft de Republiek niet in kennis gesteld van de reden waarom Hauteville gearresteerd moest worden. Bovendien heeft Hauteville, nadat hij Frankrijk verlaten heeft, zich opgehouden in Engeland en in de Oostenrijkse Nederlanden en hij was sleghts enkele maanden te Luyk gehuisvest; hij is vandaar naar Maastricht gegaan. Hij is ook geen onderdaan van Luik en uit niets blijkt dat hij grove misdaden heeft begaan. Alleen in dat geval leveren wij uit. Daar kon Luik het mee doen.

Frankrijk wordt op vrijwel gelijke wijze geantwoord. Er is niets van zware misdaden gebleken en u heeft geen documenten of bewijzen daarvan geleverd. En wat die falsifiteiten betreft, daar leveren wij geen mensen voor uit. Ten aanzien van de geschriften tegen de koning, ook daarvan hebben wij niets te zien gekregen. Theoretisch is er bij ons wel geen persvrijheid, maar in de praktijk wel. Voor de lezer van vandaag een herkenbaar gegeven.

Schout Bogaart krijgt nu opdracht Hauteville vrij te laten en zijn papieren terug te geven. De politiefunctionaris is buiten zijn boekje gegaan door op het verzoek van Luik in te gaan. Overigens niet ongewoon in een stad waar een dubbele rechtsgang gehanteerd werd. Maar toch, hij moet boeten: Bogaart moet alle kosten van Hauteville betalen en een schadevergoeding geven. Jeanne verzoekt om een gratificatie en krijgt honderd dukaten uitgekeerd. De schout blijft echter weigerachtig een schadevergoeding te betalen en Hauteville moet tegen hem procederen.
Waarschijnlijk is Hauteville na zijn Maastrichtse avontuur naar Utrecht vertrokken. Gewaarschuwd dat de Franse regering hem achtervolgt, is hij in Utrecht uiterst benauwd alleen over straat te gaan. Soms laat hij zich daarom door twee Broeders vrijmetselaars vergezellen.

Misdadiger of levenskunstenaar met criminele inslag? Gaat het alleen om zijn pamfletten tegen de Franse koning, dan moet vastgesteld worden dat hij daarin niet de enige was. Vast staat wel dat hij de nodige misstappen heeft begaan. Indien een kapelaan, in 18e eeuw katholiek en absolutistisch Frankrijk, in de fout gaat, is zijn toekomst weg. Om aan de kost te komen gaat hij de weg op van 'nette' oplichting. Zo waren er velen in zijn tijd.
Helaas zijn in de Maastrichtse criminele dossiers van de beide Hooggerechten geen aanwijzingen over Hauteville gevonden.

Met dank aan de heer Dr. A.J. Hanou die dit verhaal met nog veel meer details heeft opgenomen in zijn boek Onder de Acacia : studies over de Nederlandse Vrijmetselarij. Leiden, Astreaea 1997. ISBN 90-75179-13-8.

Bekijk een presentatie over de geschiedenis van de Vrijmetselaarsloges in Maastricht
[PDF 7,75 MB]



Terug naar het verhalenoverzicht