Dood op het Water
Met medewerking van: Tiny AdriaensInleiding: mevrouw Adriaens bevond zich op 18 augustus 1944 met haar ouders aan boord van de sleepboot Gabriëlle die die dag in Groot-Ternaaien vastzat op een zandplaat.
"Het was puur toeval dat we met onze boot op dat moment nèt niet bij het Krèjjedörrep waren aangekomen, anders waren we beslist ook geraakt door die bommen. Wij bevonden ons op de Maas tussen Groot- en Klein Ternaaien. Wanneer een bak of schip geladen was met stenen, namen we die met onze Gabriëlle op sleeptouw, draaiden om en voeren ermee weg. Op die 18de augustus kwamen we echter niet weg. De bak zat muurvast op een zandplaat en wou niet los. Wat mijn vader ook probeerde met de sleepboot - die kant uit, dan weer de andere - het ging voor geen meter. Hij zei tegen de machinist "Je kunt nu niet gaan stoken, want dan zien die vliegmachines ons als ze overkomen!" Het waren de bommenwerpers die op weg waren naar de spoorbrug in Maastricht. Op dat moment ging daar het luchtalarm."Als onze schoorsteen gaat roken…dat ze maar dóórvliegen…!" Op het moment dat in Maastricht het Krèjjedörrep en het Roeddörrep de volle laag kregen, kwam de bak ineens los en dreven we weg. Dat was onze redding geweest. Hadden we niet vastgezeten, dan waren we inmiddels ter hoogte van de spoorbrug gekomen….. We hadden veel geluk gehad. Bij het Stadspark aangekomen, vroegen we ons af "Wat drijft daar allemaal?" Wij onder die bruggen door… toen kwamen we bij de spoorbrug en het Krèjjedörrep….. drie schepen op weg naar Luik werden geraakt door de bommen en waren zinkende. Het grootste was in eigendom van twee mensen van in de zeventig. Hun schip had samen met nog twee andere vastgemaakt aan een sleepboot. Dat echtpaar had twee zonen. De ene ervan bevond zich bij zijn ouders, de ander met zijn vrouw op een van de beide andere schepen. Na de aanval was hij overgesprongen op het andere vaartuig om zijn familie te helpen. Twee van de drie schepen uit het konvooi, zwaar beladen, zonken aan de kant van het Roeddörrep. Het oudere echtpaar op het grote schip was met beide zonen op weg naar Luik. Zij zouden daar die dag aan wal gaan om het huwelijk van één van hen bij te wonen. Hij zou daarna het schip van hen overnemen…. De kapitein van de sleepboot was onthoofd en zijn lichaam zat ergens klem. De machinist was overboord geslagen en vermoedelijk ook dood. Wij hebben toen de tros naar onze bak losgegooid, het zinkende schip van het echtpaar snel op sleeptouw genomen richting de aanlegplaats van het baggerbedrijf van Van Roosmalen. Daar was een installatie, een soort lift, om schepen op de kant te trekken. Het lekgeschoten deel van het schip kon enigszins boven water worden getild waardoor het niet verder zinken kon. De armen van de vrouw zaten onder de glassplinters die er door mijn moeder zijn uitgehaald. De oude schipper lag echter dood op het dek. Er werd een laken over hem heengelegd. Al hun kippen en konijnen waren ook dood en lagen her en der verspreid. De vrouw was de enige die de aanval had overleefd. Ook de zoon die die dag zou gaan trouwen had het niet gehaald.
We zijn bij haar gebleven, maar hoe het haar verder is vergaan weet ik niet. Ik had ook aangetrouwde familie van Rooijakkers in het Roeddörrep. De vrouw moest nog bevallen; zij was buiten, raakte zwaar gewond en heeft nog even geleefd. Een Duitse soldaat probeerde haar nog te helpen, maar werd op slag gedood. Haar man die aan het werk was geweest, keerde snel terug naar huis en vond zijn vrouw, dus óók de baby, dood…
Wij hadden altijd voldoende eten in de oorlog. Omdat mijn vader schipper was, kregen we zowel in Nederland als in België voedselbonnen. Wat we teveel hadden gaven we weg. We kenden een gezin met zeven kinderen. Die konden ze goed gebruiken.
Jef Adriaens, een broer van mijn vader, had een café bij de spoorbrug, dáár waar die twee schepen gezonken waren. Hij verhuurde er ook kano's en roeiboten. Het was een heel klein huisje; het staat er nog steeds onder de spoorbrug. Zijn dochters, mijn nichtjes dus, werden van daaruit geëvacueerd naar het zusterklooster aan de Brusselseweg. Toen ging het naar de Dominicanerkerk. Later naar de paters. Ze hadden immers geen woning meer. Ze hebben die zwaar verminkte lichamen gezien die de kelder van de kerk werden binnengebracht en hebben dus verschrikkelijke dingen meegemaakt. De oorlog had voor ons een heel ander verloop. We hoefden nooit kolen te kopen, want daar voer de boot op.
Ik vind het erg vreemd dat er nooit over de Gabriëlle geschreven is. Nadat de St Servaasbrug in 1944 was opgeblazen, heeft die sleepboot met twee bakken op touw een tijdelijke verbinding tussen Wyck en de Blekerij onderhouden. Ik heb nog gezien dat die witte bakken daar gemaakt werden. Wij lagen op dat moment aan het Stadspark en zijn één keer in de schuilkelder van onze naaister in de St Bernardusstraat geweest in de hele oorlog. We zaten altijd buiten te kijken. Mijn vader heeft ons toen nog gemaand het op een lopen te zetten toen opnieuw een toestel in zicht kwam. Aangezien de St Servaasbrug stuk was, verkeerden de Geallieerden mogelijk in de veronderstelling dat de Duitsers met die bakken een pontonbrug aan het bouwen waren. De Gabriëlle heeft zeker nog tot in de jaren '50 aan de Hoge Kanaaldijk gelegen op de punt waar het kanaal naar Luik en de toegang tot de sluis in elkaar overgingen. Daar werden bij de Smis zeven gemaakt en gerepareerd voor baggermolens. Ze is later verkocht en nog steeds als plezierboot in de vaart in Amsterdam. Er was ook een benzinestation aan die kant. Toen de Amerikanen hier waren, in 1944-'45, braken we met de sleepboot ook het ijs in het kanaal in Maastricht en van Lanaken tot Hasselt. De Amerikanen konden wèl de bruggen bewaken indien de Duitsers terug zouden komen, die moesten sowieso bruggen passeren, maar, indien nodig, konden die troepen ook op het dikke ijs lopen en daar had je geen controle over. Wij moesten niets anders doen dan heen en weer varen en de kanalen openhouden. Op een gegeven moment ontstond er lekkage aan de boot, ze had een kromme neus in het ijs opgelopen en toen kregen we een ijsbreker.
Ik heb bij de sluis in Klein Ternaaien nog vreselijke dingen gezien. We hadden daar ooit met ongeveer vijftien vriendelijke Duitsers gesproken. Er waren ook goeie bij. Op een dag kwamen we er terug met de boot. Diezelfde mannen lagen allemaal dood in het gras, hun vingers afgesneden voor de ringen, hun lege portefeuilles ernaast. Persoonlijke bezittingen als foto's waaiden weg. Ze waren vermoord door mitrailleursalvo's van de Amerikanen. Anderen gingen over tot lijkenpikkerij. Dat heeft mij zeer aangegrepen. Later is op die plek nog een Christusbeeld geplaatst. Als je zelfs de doden niet met rust kunt laten…"
Terug naar het verhalenoverzicht