Dhr Huub van Engelshoven vertelt

Auteur(s): Hubertus van Engelshoven

De heer  Huub van Engelshoven (* 11 mei 1937) vertelt een verhaal over de bevrijding.

"Ik woonde destijds in het Heugemer Meulestraotjse 22 of 24, vlakbij de Sint Michaelsweg; ik ben daar geboren. De eerste keer dat we [Amerikaanse] soldaten zagen lopen was bij ons in de haöf, de volkstuinen. Hier is nu de Pietersplas. De vier Heugemse tuinders die hier wat bijverdienden hebben voor de aanleg ervan hun grond moeten afstaan. Ze werkten er van 's ochtends tot 's avonds laat en gingen ook met de hondenkar of paard en wagen met groenten naar de markt, net als de tuinders van Sint Pieter dat vroeger deden…. In de haöf zag ik de soldaten te voet vanachter het kasteel van Regout, nu Hoogenweerth, tevoorschijn komen uit de richting van Oostmaarland, Eysden en Gronsveld. Ze liepen langs de Maas en gooiden van alles weg. Wij kinderen zagen dat maar beseften totaal niet wat er aan de hand was.

Bij Mimi Frijns op de hoek was een groot herenhuis. De latere gouverneur Van Voorst tot Voorst kwam in het pand ernaast, net om de bocht, te wonen. Voorbij dat huis hield het dorp op en begonnen de landerijen. Een paar uur later zagen we daar dat eerste vreemde autootje, zonder ruiten en zonder dak. Ik word er wéér emotioneel van. …Wij kinderen gingen er even later bij staan. Rijden die dingen nog? Ik ging gelijk terug naar huis en zei 'Mam, d'r zien vaan die raar oto's in 't dörrep en soldaote mèt 'n aander pekske aon!' Mam antwoordde 'Blief binne!'

Ik hoorde later dat dat het 13de bataljon van generaal Patton was. Het was 13 september 1944. Toen ik naderhand terugging om te kijken, zag ik een jongen die pikzwart was. Ik rende terug naar mijn moeder en zei dat er iemand bij was die ochgerrem hielemaol verbrand waor. Dat was natuurlijk een zwarte; ik had nog nooit eerder een gezien. Toen ik even later met mijn zussen terugging om te kijken zag ik méér mannen die verbrand waren. Verschillende Duitse soldaten waren te grazen genomen. Hen werd de horloges en de ringen afgepakt. Eén horloge viel op de grond en ging stuk. Mijn zus heeft het gouden bandje nog opgeraapt en mee naar huis genomen. Pap heeft naderhand nog in de struiken gezocht of het horloge zelf er nog lag, maar het was niet meer te vinden. Bij de kerk stond een groepje soldaten en we gingen erheen. Gaf je die een dubbeltje of een kwartje in ruil voor chewing gum, dan kreeg je verschillende stukken chocolade. Ik had om chewing gum gevraagd omdat ik niet wist wat chocolade was! Die chocola waor zoe'ne helle knap, een overlevingsstuk. Je moest er met een bijl op slaan en datzelfde gold voor de zeep. 'Die hel knabbe had iech nog noets vaan mie leve gezeen!'

Bij ons aan de overkant woonde een meisje, Els, van een jaar of 16, 17. De Amerikanen hadden haar spoedig ontdekt en op een bepaald moment kwamen die jeeps bij ons de straat in. Er stonden soms wel drie bij ons voor de deur. Toen ik eens zo'n autootje zag aankomen, zei ik tegen mijn moeder 'Kiek es. Daor ligge allemaol vaan die oranje balle in!' Mijn moeder zei dat soldaten niet met oranje ballen slepen. 'Kom daan kieke!' 'Jao, mè, jong, dat zien appeleseene!' Die had ik nog nooit gezien. In de oorlog waren er alleen appels, peren en aardbeien, meer niet.

Onze klas werd in de oorlogsjaren in tweeën gedeeld. Verschillende keren kregen we les bij de koster van Heugem thuis. Die had daarvoor zijn voorkamer moeten leegmaken. De helft van de klas kreeg 's ochtends les, de andere helft moest 's middags gaan. Het lokaal bleek te klein. Zo'n 30-35 jongens hadden er om beurten les. Dat was in de derde en vierde klas…

Ik heb toen ook nog gezien dat er in Heugem ooit ruzie was bij een paar jongedames thuis waar de Amerikanen vaak kwamen. Een zwarte soldaat pakte zijn geweer en wou door de deur heen schieten. Hij deed het niet, maar met zijn helm sloeg hij een groot gat in de deur die van hardboard was. Het waren overigens nette dames, geen prostituees. Dat woord bestond niet in Heugem en die waren er ook niet. We gingen ook nog kijken met de hele school nadat de Maasbruggen in de lucht waren gegaan, maar dat zei me toen niet veel. Ik heb het daar later nog met mijn schoonmoeder over gehad. Die is 96 en weet heel veel. Ze is nog tamelijk bij.

Zij woonde aan het Schildersplein, achter de Sint Antoniuslaan in Roeddörrep, tijdens de oorlogsjaren. De Amerikanen wilden in augustus '44 de spoorbrug bombarderen, maar deden dat verkeerd. Massa's mensen werden gedood, óók familie van mijn latere schoonouders. Ene Harrie Veenhof die in de buurt woonde was zijn neus kwijt. Hij leeft nog, maar woont nu in Eindhoven en is getrouwd met een verpleegster die hem destijds verzorgde. Hij is iets jonger dan mij. Wally Brands raakte ook heel zwaar gewond. Volgens het verhaal, ik wéét niet of dat juist is, lag hij in het mortuarium van Klevarie. Een Amerikaanse legerdokter moet zijn binnengekomen, misschien om nieuwe lijken te laten neerleggen en zag dat Wally naar een stuk appel reikte. Die dokter zei toen 'Die man is voor mij. Die ga ik oplappen!' Willy Brands is er ook nog steeds. Truitje, het dochtertje van de buurvrouw van mijn schoonmoeder, werd gedood bij het bombardement. Ze was pas twee jaar, even oud als mijn huidige vrouw Willy toen. Toen er een bom op het huis viel gooide mijn schoonvader zich op zijn dochtertje. Ze liep een zware hoofdwond op en moest een stukje uit haar hoofd missen. Schoonpa kreeg meerdere metaalsplinters in zijn lijf. Die in zijn rug heeft hij tot zijn dood in 1993 met zich  meegedragen. De splinter was in een vetlaag blijven steken, maar deed verder geen kwaad en hij kreeg het advies om die te laten zitten. Hij werd door de Duitsers naar Klevarie gebracht. 's Avonds ging mijn schoonmoeder naar hem toe over het houten bruggedeelte. Dat was gedurende spertijd. Een Duitser kwam op haar af en zei dat ze niet buiten mocht en gebood haar terug naar huis te gaan, maar ze protesteerde en zei dat ze naar haar man wou die zwaar gewond in het ziekenhuis lag. Volgens haar was er sindsdien maar één goede Duitser en dat was die soldaat, zei ze achteraf ietwat sarcastisch. Hij liep met haar mee tot aan Klevarie. Bij het bombardement was haar woning vernield. Ze had niets meer. Op een gegeven ogenblik, zei ze, zag ze haar ondergoed een paar straten verder aan een waslijn hangen. Weer anderen waren met het bestek dat ze voordien in de la onder het aanrecht had liggen aan het eten. Het was bij die ontploffing weggevlogen en het was niet te bevatten toen ze mensen zag die met haar lepels en vorken aten. Dat raakte haar. Ze had niets meer, alleen nog hetgeen ze aanhad. Toch waren ze blij, alledrie, dat ze nog leefden….

Truike, het kind van twee van de buurvrouw dat toen doodbleef, zou net zo oud zijn geweest als mijn eigen vrouw Willy nu. Het kwam verschillende keren voor dat de buurvrouw aan mijn schoonmoeder vroeg of ze Willy even mocht vasthouden. Ze stond dan met dat kind in haar armen te janken en verzonk in gedachten naar haar eigen dochtertje. Toen mijn schoonvader Willy haar na haar geboorte ging aangeven bij de gemeente Maastricht, vroeg de ambtenaar hoe het kind heette. Toen mijn schoonvader Wilhelmina zei, kreeg hij ten antwoord dat dat niet mocht. Dat was een naam van het koninklijk huis en niemand mocht zijn kinderen naar leden daarvan vernoemen. Hij kreeg het advies om haar maar een andere naam te geven, want deze kon niet worden ingeschreven. Mijn schoonvader werd razend en besloot zijn dochter te vernoemen naar zijn eigen schoonvader die Willem heette. De ambtenaar zei dat je een meisje niet Willem kon noemen. Mijn schoonvader zei dat haar roepnaam Willy zou zijn aangezien er genoeg meisjes waren die Willy heetten. Ze staat ze nu ingeschreven als Wilhelmina en die naam is ook vermeld in haar paspoort, maar het is altijd Willy gebleven. 

In die tijd moesten boeren hun paard en wagen aan de Duitsers afstaan; die werden vervolgens opgehaald. Een boer in Heugem kreeg de raad om een wiel van de kar te schroeven, dan konden ze hem niet meenemen. Die boer deed aldus en verstopte het wiel onder een berg aardappelen, maar die Pruusje richtten toen hun geweren op hem, dwongen hem het wiel uit te graven en dat weer op de wagen te monteren. Die man heeft zijn paard en wagen nooit meer teruggezien.

Mijn moeder heeft haar latere schoonzoon ooit een pootje gelapt toen de radio's werden opgehaald in Heugem. Wij hadden een Philips radio, iets heel aparts. Twee jongens uit de straat, Niek van den Booren en Jef Soudant, gingen huis voor huis af om radio's op te halen. Iemand van de gemeente of een NSB-er was bij ons aan de deur geweest en had mijn zusje Annie, toen acht of negen, gevraagd of er thuis misschien een radio was. Annie had in haar onschuld 'ja' gezegd; zodoende kwamen Jef en Niek bij ons het huis in, zich verontschuldigend dat ze het erg vonden, maar ze moesten onze radio meenemen. Ma zei toen dat hij daar en daar stond en dat ze hem mee konden nemen. Jef pakte die radio op terwijl Mam buiten aan de deur ging staan. Op het moment dat hij naar buiten stapte deed Mam een voet naar voren. De radio vloog over de straat en de knoppen schoten ervan af. Mijn moeder vond het heel jammer voor die jongen, maar als wij die radio niet mochten hebben, dan de Duitsers al helemaal niet. Ze hebben die kapotte toen zo op de kar tussen de anderen gegooid. Hoe het verder ging? Laat nou later die Jef aan de deur staan als het vriendje van mijn zus! Ze is met hem getrouwd!

Toen de Duitsers teruggingen naar het vaderland hebben ze met behulp van onze karren en paarden nog de klokken geroofd uit de kerktoren van Heugem. We stonden er als kind nog toe te kijken en snapten niet waarom die weg moesten."  


Terug naar het verhalenoverzicht