Dee minsj mèt die breij brook
Auteur(s): Mevrouw Sijtema-Van SchaijkMevrouw Jeannette Sijtema is hoogbejaard, maar ondanks dat nog steeds zeer kras en bij de tijd. Zij verhaalt over de armoede in de crisisjaren. Na de oorlog beleefde de vishandel van haar en haar man een bloeiperiode.
"Ik ben geboren en getogen in de Capucijnenstraat nummer 50. Daar heb ik gewoond totdat ik trouwde in 1938, vlak voor de oorlog dus. Anne, mijn man, en ik verhuisden naar de Hoogbrugstraat. Toen wij elkaar leerden kennen deed hij al min of meer iets in vis. Hij werd in 1914 geboren in Harlingen en was twee jaar jonger dan ik. Hij was van huis weggelopen omdat hij het geloof een kwelling vond. Drie keer per dag bidden vóór en na het eten en ook nog eens op school vond hij teveel van het goede worden. Het feit dat hij een andere overtuiging aanhing heeft ook hier nog voor problemen gezorgd. Hij nam de benen en heeft een tijdlang in Holland rondgezworven. Op een gegeven moment kwam hij bij een zekere Van der Zwan terecht die vanuit Scheveningen en Katwijk met zijn eigen vrachtwagen het hele land met vis bevoorraadde. Iemand adviseerde hem om naar het zuiden te gaan en daar in de mijnen te gaan werken. Daar zou hij veel geld kunnen verdienen. Mijn man is toen een keer mee naar Maastricht gereden en hier gelijk blijven hangen!
In de crisisjaren was hier bijna niets te krijgen. We konden daardoor nog geen eigen zaak beginnen maar ik bleef doorwerken bij de firma Dassen in de Jodenstraat. Daar maakte ik hoedjes. Er werd ook ondergoed verkocht en kleding geperst. Boven zaten de meisjes die de hoeden met veren en bloemetjes versierden. In 1941 kreeg Dassen geen materiaal meer en moest ik thuisblijven. Mijn man ging toen met garen en band langs de deuren; hij kwam ook bij kloosters en boerderijen. Bij die gelegenheden droeg hij immer een Volendammer pak. De kinderen van de klanten riepen dan tegen hun moeder "Mam, daor is dee minsj mèt die breij brook!" Hij had een bakfiets aangeschaft en besloten om met vis langs hotels in Valkenburg te gaan. De koks stelden zijn waar zéér op prijs. Zo gooiden wij ons erdoorheen. Toen bloeide de handel op. We zijn direct na de oorlog - in 1946 - met niets begonnen en hebben de zaak flink kunnen uitbreiden. Sijtema is een begrip. Iedereen kent de naam.
Ik stond zelf in de zaak in de Hoogbrugstraat nummer 65. We hadden zes vrouwen in dienst, twee mannen en een jongen. Toen was de vrijdag nog echt de visdag, bovendien hadden we dagelijks als de "brom" van de Ceramique klonk voor schafttijd, de winkel vol staan met werklui die allemaal zo snel mogelijk 'n zure bom of 'n rolmops mayonaise wilden hebben. Topdrukte voor Carnaval begon vaak al in december. Rond 1976, dertig jaar later, zijn we ermee gestopt. Mijn man kreeg problemen met zijn gezondheid en heeft de winkel toen verkocht. Dat deed hij op het verkeerde moment, nèt vóórdat de panden werden onteigend in verband met de bouw van Hotel Maastricht. Hadden we de zaak iets later van de hand gedaan, dan hadden we er veel meer voor kunnen vangen. Alles ging tegen de vlakte. Op het laatst hadden we drie huizen in eigendom: een was het winkel/woonhuis, het tweede de inleggerij en van het derde pand besloeg de koelcel de hele benedenverdieping.Ik woonde eind jaren twintig in de Capucijnenstraat. Dat is nu de Charles Voscour. Ik was nog jong. Mijn vader was SDAP-er en dus vaan de roeje. Hij werkte in de kokkenfabriek, maar dat weet ik niet meer precies. Hij loste ook schepen in het Bassin. Tijdens de Zinkwitstaking mocht ik van mijn ouders niet de straat op. We hoorden wel veel lawaai. Bij het Lindenkruis tegenover ons was er een opstootje. Wij stonden bovenaan het raam te kijken en hoorden dat er twee keer geschoten werd hogerop in de Statensingel. Bij ons is niets kapotgegaan. De mensen kwamen van het Lindenkruis en trokken richting Capucijnenstraat. Er is natuurlijk méér protest geweest gedurende langere tijd. Ik was 17 en dat interesseerde mij toen niet. Ik weet verder ook nergens van. Mijn vader natuurlijk wel, maar hij sprak er thuis nooit over.
Volwassenen vertelden dingen onder elkaar waar een kind niets mee te maken had. Ze hadden toen andere onderwerpen dan kinderen. Tegenwoordig zitten die altijd met hun neus ertussen!"
Terug naar het verhalenoverzicht