De Wederwaardigheden van een Archeoloog
Met medewerking van: Doeke KrikkeEen verhaal over archeologische vondsten en andere zaken in Maastricht en omstreken.
"Ik heb meerdere archeologische opgravingen verricht in Maastricht, natuurlijk in samenwerking met anderen. Voordien heb ik nog een tijdje met iemand gewerkt in het Havenstraatje in Maastricht en één keer met een provinciaal archeoloog.
In de Sint Servaaskerk hebben we heel veel graven blootgelegd. Op een bepaald moment kwamen we uit bij de lange mens en de rijke dame. Die heb ik ook mee uitgegraven en daarna zijn we naar het hotel Derlon gegaan. Onder dat hotel hebben we opgravingen verricht en ontdekten we het zogenaamde Romeinse heiligdom, met een jupiterzuil, een pijler waar destijds ook huisjes omheen gelegen hebben. We hadden daar heel lang graafwerk verricht toen we op een bepaald moment in het stadium kwamen dat er zogenaamd niets meer te vinden was. Er was nog een klein driehoekje over van twee bij anderhalve meter, met een loodlijn van anderhalve meter en twee maal twee en een halve meter de lange zijden. Toen hielden we op, maar ik vroeg de archeoloog die de werkzaamheden coördineerde of we hier even door mochten gaan omdat er nu nog de mogelijkheid voor was. Hij zei dat er hier, vrijwel zeker, niets meer te vinden zou zijn. Daarvan leek hij overtuigd, want overblijfselen van de huisjes die eromheen hadden gelegen; de jupiterzuil en de Romeinse weg waren inmiddels gevonden. Volgens hem was er gewoon niets meer. Ik vroeg hem of ik desondanks even door mocht gaan. "Tja, als jij daar zin in hebt, okee!" Nou, ik ben toch gaan graven. Aangezien ik al ruim twintig jaar ervaring had, merkte ik op een bepaald moment toen ik zwerfstenen tegenkwam dat het wel eens heel bijzondere stenen konden zijn, want ze lagen allemaal netjes naast elkaar. Ik heb ze toen heel voorzichtig uitgegraven en zag dat ook de bovenkant ervan vrijwel gelijk lag. Daarom riep ik de chef erbij. Ik vroeg hem "Is dit nog iets, denkt u?" "Het heeft veel weg van een stenen weggetje, maar het kunnen ook gewoon losse stenen zijn. Wat mij betreft hoef je niet verder te gaan!" "Mag ik het toch proberen?" "Je moet het zelf weten!"
Ik ben verder gegaan en heb het allemaal heel mooi blootgelegd. Toen ik ongeveer een meter vrij had en die stenen prachtig naast elkaar op een zelfde hoogte bleken te liggen, concludeerde ik 'dat is nóg een Romeinse weg, dat kan gewoon niet anders….' Aangezien die Romeinse weg al gevonden was, dacht ik 'hoe zit dat nou?' Toen ik klaar was, riep ik de chef erbij. "Kom nog eens kijken, kom nog eens kijken!" De chef kwam erbij en riep "Jongens, kom eens kijken. Hier, op deze plaats hebben we de oudste Romeinse weg van Nederland gevonden!" Zo zei de chef het letterlijk, terwijl ik al het werk verricht had. Ik was hier nogal ontstemd over. Een ander incident is het volgende: op een bepaald moment waren we in de Sint Servaaskerk ook bezig met het blootleggen van graven. We stootten op een sarcofaag die heel instabiel bleek te zijn. Hij was gemaakt van breuksteen. Welke soort dat was, was mij niet bekend. Het zou in elk geval heel moeilijk zijn die te bergen. De chef stond erbij en zei. "Nou, jongens. Dat is een prachtige sarcofaag! We moeten proberen die zo gaaf mogelijk eruit te halen. Dat is gewoon erg belangrijk!" Nou, toen hebben de jongens de conservator gebeld. Die man verscheen ter plekke en zei dat het niet mogelijk zou zijn om die kist er zo uit te halen, dat men die eerst moest gaan bewerken. De jongens antwoordden dat ze het ding er volgens de chef zonder veel problemen konden uithalen. De conservator was echter van mening dat de sarcofaag eerst diende te worden volgegoten met hars, opdat die dan wat meer stevigheid zou krijgen. Ze brachten de chef vervolgens op de hoogte van de inschatting van de conservator - dat een bewerking met hars de voorkeur had. De chef vond dat de conservator wel een beetje gelijk had en zei dat ze de kist extra stevig gingen verpakken om minder risico te lopen. Aldus geschiedde. Ze hebben geprobeerd die sarcofaag eruit te halen, maar die klapte toch in elkaar. Bij nader inzien had die toch beter volgegoten kunnen worden met hars. Ik was teleurgesteld in de inschatting van deze archeoloog. Enfin, de kist werd uiteindelijk hersteld en ook tentoongesteld.
De eigenaar van het eethuis Fin Beck (eerst in het centrum van Maastricht gevestigd) in de Stationsstraat had destijds (zo'n 20 tot 30 jaar geleden) een groot aantal Rijnlandse kruiken en andere voorwerpen gekocht van jongens die dat allemaal illegaal uit de putten haalden, bijvoorbeeld in de weekenden, als het reguliere werk stil lag. Het waren zeer waardevolle kruiken, die ook aan anderen verkocht werden. Dat was bij medewerkers van de chef-archeoloog bekend en dat vertelden ze aan mij. Ik vraag me af waar dat keramische materiaal nu is.
De conservator die twintig jaar in functie was geweest, werd op een nogal ondankbare wijze van zijn taak ontheven. Waarom is mij nu nog een raadsel. Ik ben op een bepaald moment nog bij hem geweest en we hebben herinneringen opgehaald, maar het verder niet over de kwestie gehad. Hij had de chef ook heel vaak gewaarschuwd. Hij kon aanvankelijk goed met hem opschieten, maar dat duurde niet lang. Hij vond dat hij een goed vakmanschap had, maar dat hij juist daardoor in bepaalde opzichten de behoedzaamheid uit het oog verloor. Mijn baas was ronduit slecht voor zijn mensen; hij deed uit de hoogte en behandelde ze als minderwaardig: "Jij gaat nu dit en jij gaat nu dat!" Mijn ontdekking, van die oudste Romeinse weg ooit in Nederland gevonden, is nergens, nog niet in de kleinste aantekening, terug te vinden. Ik heb er geen werk van gemaakt en schreef een boek over archeologie toen ik bezig was met vondsten in Sint Gerlach.
In 1993 werd ik opgebeld door een aantal amateur-archeologen die ik kende. Ze vroegen "Jij hebt veel ervaring opgedaan met het graven in de Sint Servaaskerk. Wij hebben hier een graf ontdekt op de binnenplaats van het vroegere Norbertinessenklooster. Kun jij hier komen meehelpen?" Ik ging akkoord en ben er naartoe gegaan. Het was de bedoeling dat die opgravingen maar zes tot acht weken zouden duren. Ze duurden drie jaar. Ik heb continu aantekeningen, foto's, schetstekeningen en zo gemaakt en het werden er steeds meer. Ik besloot er een klein boekje van te maken. Uiteindelijk werd het een compleet en dik boek. Een professor van de TU Delft met de wel zeer toepasselijke naam Knook belde mij en was beleefd genoeg om te vragen "Jij hebt aantekeningen gemaakt over de geschiedenis van het Norbertinessenklooster en die steken goed in elkaar. Het scheelt ons een hoop tijd. Vind je het goed dat ik die met een collega gebruik voor ons boek?" Ik had geen bezwaar. Hij en die andere professor hebben mijn informatie gebruikt. Ik had in een redelijk vroeg stadium contact met hen, kreeg ook toestemming om een weinig van hun materiaal te gebruiken voor een eigen boek. Ik wou het goed doen, deed er ook onderzoek voor in archieven van hier tot in Frankrijk. Mijn werk was goed gedocumenteerd en ik had ook de hele geschiedenis van dat klooster mooi op een rijtje staan rond het laatste jaar van de opgravingen. Daarna is het boek uitgekomen. Ik zocht er sponsors voor waardoor de helft al bekostigd werd. Camille Oostwegel was ook bij de presentatie. Het heet Dagboek van een Opgraving en is uitgekomen in 1997. In vele bibliotheken in Nederland ligt een exemplaar. Ik heb daarin wel eens verwezen naar mijn ervaringen in Maastricht."
Terug naar het verhalenoverzicht