De Tragedie van de Familie Meijer
Met medewerking van: De heer Wijnand Meijer, Bernadet Ramaekers
De heer Wijnand Meijer is oud-rechter en advocaat. Hij woonde als kind met zijn familie aan de Observantenweg 42 te Sint Pieter. Hun overbuurman was Hauptscharführer Max Ströbel, chef van de Aussendienststelle Maastricht. Zijn vader Johannes Marinus was op 18 augustus 1944 gaan vissen op het landgoed Vliek in Ulestraten. Op de terugweg sloeg het noodlot toe. Het verhaal van de heer Meijer wordt aangevuld door zijn nicht Bernadet Ramaekers, die ook haar opwachting maakte in de rode caravan van Zicht op Maastricht."Mijn vader, geboren op 26 maart 1890 in Rotterdam, was Hoofdinspecteur Verkeer in Limburg die door de Duitsers gevangen genomen, vrijgelaten en daarna ontslagen werd. Tja, wat moest hij toen gaan doen? Hij ging vandaag precies 65 jaar geleden en bij hetzelfde weer naar Vliek in Ulestraten. Daar zat min of meer verscholen op het landgoed van de familie Van Meeuwen de oud-commissaris van de koningin Van Sonsbeek Op 15 augustus 1944 - ik zie het nog voor me - pakte hij boven het grote Mariabeeld, ging met ons op zijn knieën zitten en droeg zijn gezin op aan Maria zoals dat toen gebruikelijk was.
Op die 18de kon je bij wijze van spreken de kanonnen van de Geallieerden al horen. Hij zei die ochtend tegen mijn moeder "Ik ga nog één keer vissen; het kon wel eens de laatste keer zijn en dan kunnen we niet meer weg!" Hij pakte zijn fiets en reed vanaf de Observantenweg naar Ulestraten. Daar hadden ze een schitterende, langwerpige schuilkelder met stalen deuren in de tuin, net als wij. Wij hebben daar menige nacht gezeten. Hij is die namiddag teruggefietst richting Maastricht. Ik nam die middag de trein naar Meerssen om er te gaan zwemmen in het natuurbad en had van mijn moeder een kwartje gekregen. Op de terugweg begon het gieren; wij moesten de trein uit en in de struiken gaan liggen. Toen bleef de trein staan en moest ik over de sporen naar het station in Maastricht lopen. Daar lagen doden. Het was voor de eerste keer in mijn leven dat ik doden zag en durfde nauwelijks te kijken. Toen ik thuiskwam zat mijn moeder in een stoel te huilen. De dikke slager Schuurmans die een winkel had Achter het Vleeschhuis, was vlees komen brengen. Hij had gehoord dat er aan de Franciscus Romanusweg bommen waren gevallen. Blijkbaar kende mijn moeder de fietsroute van mijn vader en vermoedde dat hij rond het tijdstip van het bombardement dáár had moeten zijn. Ik heb altijd gehoord dat dat bombardement de spoorbrug gold omdat de Duitsers daarover V-bommen wilden transporteren. Ik lees nu in de krant dat het bedoeld zou zijn om vluchtende Duitsers vanuit België tegen te houden. Later las ik weer dat een aantal vliegeniers terugkwam om de bommenlast kwijt te raken omdat men anders de overkant niet zouden halen. Nou, dat zijn dan drie verhalen….
Wij zaten allemaal beneden en hebben daar de hele nacht gewaakt. Vader was niet thuisgekomen. Het terrein rond de Franciscus Romanusweg was helemaal afgezet. De volgende dag zijn mijn zusjes, mijn broer en een bediende van mijn vaders kantoor - ik niet trouwens - naar hem wezen zoeken. Ze hadden een pasje gekregen om onder de afzetting door te mogen lopen. Onder de spoorbrug was een grote krater. Mijn vader was ingenieur en had het geld om zich een kwaliteitsfiets te permitteren. De mensen die in die bomkrater gingen zoeken vonden een fragment van die fiets, een duim en een stuk overhemd. Aan dat hemd was ook weer te zien dat het van een zekere kwaliteit was. In die krater hebben ze ook nog stukjes sleutel gevonden. De baard van die sleutel paste thuis op de enige kast die mijn vader op slot had. Als hij een cadeautje voor mijn moeder kocht, verborg hij dat achter de boeken. Die sleutel werd dus gevonden, maar geen ring, pareldasspeld of zo. We hebben toen die kast opengemaakt en vonden achter de boeken een kruikje jenever. Daar had hij met de buurman een drupke van gedronken toen de Amerikanen in Normandië waren geland. Ze hadden op de naderende vrede getoast en op de fles stond voor de vrede….
Mijn vader mocht niet begraven worden, want dat moest en masse gebeuren. Toen is op de een of andere manier met behulp van deze en gene gedaan gekregen dat hij 's ochtends om zeven uur vanuit de kerk van Sint Pieter beneden begraven mocht worden op het kerkhof. Wat er dan in die kist lag heb ik zelf niet gezien. Mijn broers en zussen vertelden me jaren later dat er alleen maar die duim in lag. De begrafenisondernemers wilden de kist optillen en toen bleek dat die veel te licht was. Bij de grote begrafenis van de slachtoffers van het bombardement ben ik ook geweest. Ik had altijd gedacht dat er 350 doden waren… Het was die dag net zo heet als nu en de lijkenlucht enorm. Mijn vader heeft een tijdje daarna nog een officiële begrafenis gehad. God weet wie er toen allemaal kwamen. Mijn zusjes zijn naar het noorden vetrokken om kleren te halen en thuis het einde van de oorlog af te wachten, maar ze konden niet meer terug. De oudste zat in het verzet. Ze werd ooit gevangen genomen en ook weer vrijgelaten. Mijn broer is naar Duitsland getransporteerd, daar gevlucht en heeft toen een tijdje bij ons ondergedoken gezeten. Hij kon niet tegen de opsluiting. Boven de ENCI was een tuinderij en hij heeft daar gewerkt. Mijn moeder bleef met zes kinderen achter.
Ik vermoed dat Vader onder die brug beschutting heeft gezocht, van zijn fiets is afgestapt en een bom op zich gekregen heeft. Dan ben je je vader kwijt. Je hebt hem 's ochtends nog gezien, maar hij komt niet thuis. Jarenlang, echt jarenlang en daar schaam ik me niet voor, liep ik hier in de Grote Staat en dacht 'daar loopt mijn vader!' Ik keek dan goed en zag dat het niet zo was. Mijn ouders hadden een prachtig huis op Sint Pieter. Er woont nu een arts. Tegenover ons woonde Ströbel. Via hem heeft de SS mijn vader gevangen genomen. Hij werd door het verzet gebeld dat er een razzia zou komen in Noord-Limburg. Mijn vader moest als Hoofdinspecteur Verkeer bussen en brandstof aan de Duitsers ter beschikking stellen. Het kantoor van Vader was aan de Graaf van Waldeckstraat. Ik ben daar geboren. De SS-ers kwamen op een dag in 1943 dat kantoor binnen. Er was een balie met een juffrouw. Je moest je bij haar aanmelden en die Duitsers deden dat niet - die liepen gewoon door, de kamer van mijn vader binnen en dát moest je bij hem niet doen. Hij zei "U heeft zich niet aangediend…Gaat u zich eerst maar eens aanmelden, dan zal ik u te woord staan!" Twee dagen later kwamen ze terug en toen stond de overvalwagen voor de deur. Vader werd meegenomen, maar hij had wèl de tijd kunnen rekken."(Entree Bernadet Ramaekers, dochter van een zus van dhr Meijer)
"Mijn moeder [een zus van Wijnand Meijer] kan heel emotieloos over het verleden praten, er komt bij haar nooit iets naars naar boven en zij vraagt zich soms zèlf af hoe dat kan. Ze vertelde ooit dat zij voor haar moeder op die 18de augustus melk moest gaan halen in Wyck. Juist op het tijdstip dat zij op de Sint Servaasbrug fietste vond het bombardement plaats en vroeg zij zich af wat er aan de hand was. Ze ging verder gewoon melk halen en is terug naar huis gereden. Mijn moeder fietste vaker met haar vader naar Vliek toe. Op de terugweg namen ze altijd een andere route - een die zij leuker vond. Naderhand ging ze daarover nadenken en wist ze dat, als haar vader alleen was, hij de route langs de Maas zou nemen. Toen ze zich eenmaal bewust geworden was van de tragedie daar, dacht ze "O jee, dan zal hij wel dáárlangs zijn gefietst!" Had hij de andere route genomen, dan had hij de plek omzeild……
Wijnand: "Er is nog een pater franciscaan geweest die hem toegeroepen heeft "Ga terug!""
Bernadet: "Nee. Mijn moeder zei 'Er fietste een bekende voor hem, een pastoor. Toen de sirenes gingen zei hij tegen mijn opa 'Kom mee, we kunnen daar schuilen!' en toen zei mijn opa 'Nee, mijn vrouw wacht. Ik fiets door!'"
Wijnand: "Jaren eerder liepen mijn ouders 's avonds na het eten in de tuin. Mijn vader stond ineens stokstijf. Er zat een grote uil in een boom die hem aankeek. Na de dood van mijn vader las mijn moeder een roman van Stijn Streuvels of Marie Koenen. Daar stond onder andere een verhaal in van 'als jij een uil ziet 's avonds en die kijkt jou aan, dan betekent dat de dood'. Mijn moeder vertelde ons dat pas lang nadat mijn vader was omgekomen. Zij kwam de eerste vijf, tien jaar de deur niet uit, reageerde heel heftig op de dood van mijn vader, ging iedere dag naar het kerkhof, zat iedere dag te huilen, droeg iedere dag zwarte jurken, enzovoort. Pas na een jaar of tien leefde ze weer wat op. Ze overleed in 1983; ze was toen 96.
Mijn vader had een Studebaker met het kenteken P-3110. Die wagen was verscholen onder een hooiberg aan de Mergelweg bij de familie Regout. Na de bevrijding vroeg het verzet aan mijn moeder of zij de auto mochten hebben. Zij stemde toe en de wagen werd meegenomen."
Terug naar het verhalenoverzicht