De Tongersestraat en omgeving

Auteur(s): Antonius Penninger

De heer Penninger is een rasechte Maastrichtenaar en een uitermate boeiend verteller. Hij verzamelt ook foto's van en verhalen over zijn stad. Deze keer haalt hij herinneringen op over de Tongersestraat en directe omgeving uit vervlogen jaren.

"In de Tongersestraat op de hoek met de Patersbaan ligt op nummer 30 het restaurant De Cuyp.  Lang vóór de oorlog was hier bekkereij Dexters gevestigd. Ik weet nog dat de overkant van de straat niet bebouwd was. Het was één groot weiland. Aannemer Godfroy had op dat stuk grond, iets verderop en even voorbij de poort, zijn opslag - kalk, hout en buizen. Daarvóór, toen de Amerikanen kwamen, was dat braakliggend terrein van de Gemeente. Waar nu de Jan van Eyck Academie is, stond ooit een houten poort die toegang gaf tot het terrein. De Amerikanen hadden er hun Jeeps gestald en tenten en voedingsmiddelen opgeslagen want daar tegenover, bovenaan de Patersbaan, stond de kerk van de bruine paters. In een deel van hun kloosters hadden de Amerikanen in 1944 hun intrek genomen.

Gedurende de oorlog hadden de Duitsers zich ingekwartierd in het klooster van de paters Jezuïeten en er hun materieel ondergebracht. De Jezuïtenkerk lag in de Tongersestraat, direct tegenover het einde van de Abststraat. Het aangrenzende gebouw kwam gereed in 1940 en werd direct gevorderd door de binnenvallende Duitsers die het als hospitaal gebruikten. Soldaten die gewond waren geraakt bij de strijd om de brug over het Albertkanaal in Vroenhoven werden erheen gebracht. Een militair ziekenhuis dus.

Bovenaan de Tongerseweg in het klooster van de Beyart waren SS-ers ingekwartierd. Ik zat op de Mulo in de Lenculenstraat. Bij luchtalarm moesten we er regelmatig de kelder in….

Op nummer 72 was fotohandel Ummels gevestigd. Pierre Ummels werkte er samen met ene Daniëls. Die was weer afkomstig van de baankètbekker Daniëls in de Kleine Staat. Ik heb daar nog samengewerkt met ene Smulders, later van de reformwinkel aan het Tongerseplein. Even verderop woonde Laurent 'Leur' Niël. Leur had een rijschool aan het Bat, bij het kanaal. Zijn lesauto was een Opel Blitz. Daarvóór reed hij in een bestelwagentje van de stoomwasserij Nederveen in de Hoogbrugstraat. Ik zat er op kantoor, zo rond 1945-'46. Nederveen had in die tijd ook een depot in het pand Tongersestraat 76. Bij gebrek aan een eigen zaak direct na de oorlog mocht Pierre Ummels er zijn foto-apparatuur etaleren. Hij leerde er Yvonne, een zus van Leur Niël, kennen. Het paar trouwde in 1947.

Je had in de Tongersestraat ook verschillende café's: Eurlings, even voorbij mijn woning, Dresens, bovenaan de Tongersestraat naast het huisje met dat kapje. Onderaan had je Ma van Sloun. Dat kent natuurlijk iedereen. Daarnaast zat een slagerij. Later kwam daar Pie Huntjens van de bakkerij. Naast Huntjens was óók een slager; dan had je nog de slagerij van Veugen. Vervolgens had je de slagers Prick en daartegenover Cruts. Twee, drie huizen verder, vlak naast de poort van de Patersbaan, was het sigarenwinkeltje van Serväöske. Zijn dochters waren allemaal ongetrouwd en hadden bijnamen als de Zes en de Tien Batsen. Bij de poort van de Bonnefanten zat de mokketeur, een oud menneke dat turf verkocht. Het winkeltje was van Kraft. Met een handkar kwam hij de Kakkeberg opgesjowd. Met een paar jongens hielpen we hem altijd zijn kar de berg op te trekken. Dat is nu de wereld uit, hè. Probeer dat nu nog maar eens gedaan te krijgen. Zulke dingen deden we toen. In de oorlog liepen ook de SS-ers de straat op en af. Die deden je niets, maar je moest ze natuurlijk niet provoceren, anders kreeg je een klap voor je kop. Veel mensen moesten in de Arbeitseinsatz naar Duitsland. Zij die vlak over de grens te werk werden gesteld, konden elke dag naar huis. Pierre Ummels moest in 1943 naar Göttingen om te werken. Ging er één niet terug, dan namen de Duitsers een gijzelaar en dreigden die dood te schieten. Er was ook eentje die woonde hier in de Heksenhoek. Hij was niet naar Duitsland gegaan, maar ertussenuit geknepen. Op een ochtend in alle vroegte hoorde hij de herrie van remmende auto's, deuren die dichtgeslagen werden en het gestommel van laarzen op de trap. Hij vluchtte het dak op en kroop achter een schoorsteen, maar de Duitsers vingen hem in hun schijnwerpers. Ze sommeerden hem naar beneden te komen. Hij weigerde en toen knalde het. Einde verhaal….

In de oorlog woonde in de Abtstraat de familie Lemmens, twee broers en twee zussen. De broers waren geestelijken. Een was missionaris in Brazilië, de ander zat in België. De laatste werd opgepakt door de Duitsers omdat hij in het klooster pamfletten kopieerde voor de verzetsbeweging. Ze haalden je er niet voor niets uit….

Mijn vader was chef-ladingmeester bij het spoor. Hij kon daarom elk jaar een bepaald aantal keren gratis met de trein. Wij mochten dan mee. In de oorlog moest ik met een koffertje vol handdoeken met de trein de boer op rond Venlo en Horst. Ik stapte dan over op de bus en ging alle boerderijen af. Ik vroeg of ze eieren of boter hadden. Geld wilden ze niet want daar hadden ze genoeg van. Mijn moeder had lievend, handdoeken, gehamsterd toen de oorlog begon en die moest ik dan daar gaan slijten.  

Het gebeurde vaker dat geallieerde jagers de trein in het vizier kregen, het kon immers een militair transport zijn, en ze begonnen erop te knallen. De trein stopte en wij moesten eronder gaan liggen totdat de aanval voorbij was."  

Terug naar het verhalenoverzicht