De opmerkelijke loopbaan van Dr P.J. Van Dooren
Auteur(s): P.J. Van DoorenRedactie: Rob Kamps
"Ik ben geboren in Maastricht op 30 mei 1926 om 09.30 uur zondagochtend, onder het luiden van de klokken van de Sint Servaas, waar wij toen op de Grote Gracht slechts vijftig meter vandaan woonden. Ik studeerde van 1945 tot 1950 Indologie aan de Universiteit van Leiden. Het was de opleiding voor de Nederlandse bestuursdienst in Nederlands Indië. Toen ik echter medio 1950 de vijfjarige studie met een doctoraal examen afsloot, was Indonesië nèt een half jaar eerder onafhankelijk geworden. Uitzending in Nederlandse bestuursdienst was nu niet meer mogelijk. Ik ben toen meteen begonnen met de studie voor een proefschrift op het terrein van de dualistische-niet-westerse economie. Dat is volgens de huidige benaming ontwikkelingseconomie. Op 9 juni 1954 promoveerde ik op het proefschrift De sociaal-economische ontwikkeling van de inheemse samenleving in Uganda. Het was een analyse van vijftig jaar Engels koloniaal-economisch beleid in Uganda dat in 1899 Brits protectoraat geworden was.
Begin 1955 kreeg ik het verzoek van het Ministerie van Koloniën in Den Haag om te komen praten met de gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea, Dr J. van Baal, die mijn proefschrift gelezen had. Na anderhalf uur praten deed hij mij het volgende voorstel: "Je hebt de opleiding gehad voor de koloniale bestuursdienst; je bent gepromoveerd op een proefschrift, een onderwerp waar wij in Nieuw Guinea ook mee te maken hebben en waar wij van de Engelse vijftigjarige ervaring in Uganda van kunnen leren. Ben jij bereid om in Nederlandse bestuursdienst in Nieuw Guinea je bezig te houden met de economische ontwikkeling van de Papoea's?"
Dat heb ik geaccepteerd en van 1955 tot 1962 is dat mijn werkterrein geweest daar. Ondertussen ben ik in die zeven jaar tweemaal de vertegenwoordiger geweest van Nederlands Nieuw Guinea op sociaal-economische conferenties van de South Pacific Commission (SPC) waarvan Nederlands Nieuw Guinea ook deel uitmaakte. De eerste conferentie was in Port Moresby in Australisch Nieuw Guinea in 1958, de tweede in 1961 in Noumea, Frans Caledonië. Voor beide conferenties heb ik inhoudelijke wetenschappelijke stukken ingediend op verzoek van de SPC.*) Naar aanleiding van die eerste SPC-conferentie heb ik in 1959 op verzoek van de Reserve Bank van India (het Agricultural Credit Department in Bombay) een studiereis van zes weken gemaakt in India, speciaal om de aanpak van het agrarische krediet en coöperatie-systeem in India te vergelijken met mijn werk als agricultural co-operatives adviser in Nieuw Guinea.
Eind 1962 moesten wij Nieuw Guinea verlaten omdat het gebied aan Indonesië werd overgedragen. Ik kreeg toen het aanbod van de vroegere gouverneur van Nieuw Guinea die in 1958 directeur van het Instituut van de Tropen in Amsterdam geworden was, om op zijn afdeling een sectie Bevolkingseconomie te beginnen, dat wil zeggen onderzoek doen naar problemen en beschikbaar zijn als consultant of adviseur in ontwikkelingsprojecten in de Derde Wereld.
In mei 1964 werd ik (met mijn gezin) voor vijftien maanden uitgezonden naar Tunesië, waar ik bij het Office de la Mise en Valeur de la Vallée de la Medjerda adviseur werd voor agrarisch krediet en coöperatiewezen in een vijftigduizend hectare groot landhervormings/ irrigatie/ resettlement-project. Medio 1965 kwam ik terug op het Instituut in Amsterdam, waar ik onder andere een grote artikel in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift publiceerde, zowel over de grondbezitsverhoudingen, de gronduitgifte aan kleine boeren en de landhervorming, evenals over het islamitische recht bij vererving van gronden en dergelijke.
Een ander deel van die publicatie ging over de financieel-economische aspecten van de gronduitgifte, het agrarische crediet-systeem, de coöperatieve organisatie en de agrarische ontwikkeling in dat project.**) Als resultaat kreeg ik in 1967 het verzoek van de Food and Agricultural Organization (FAO) van de UNO in Rome, om namens de FAO adviseur bij de Turkse Landbouwbank in Ankara te worden, speciaal voor projecten voor kleine boeren, landbouwkredieten en afzet-coöperaties.***) Ik heb dat slechts één volledig jaar gedaan, want toen kreeg ik het aanbod van Professor van Baal, de vroegere gouverneur van Nieuw Guinea, om hem op het Instituut van de Tropen op te volgen als directeur. Dat betekende dat ik de afdeling waar hij directeur van was moest ombouwen van een afdeling Antropologie in een afdeling Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek Derde Wereld, dus gericht op de ontwikkelingsproblematiek. Hier moest ik leiding geven aan twintig academici van verschillende pluimage en studierichting, colleges geven tijdens cursussen en beschikbaar zijn voor 'korte uitzendingen' (vier tot zes weken per keer) om te adviseren in projecten. De aanvragen voor die advisering kwamen meestal van het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, maar ook herhaaldelijk van internationale instellingen, zoals de FAO, de Wereldbank, het World Food Programme, de International Cooperative Alliance en dergelijke.
Ik was zodoende vaak twee of driemaal per jaar op zulk een 'korte missie'. Na mijn pensionering op 65-jarige leeftijd heb ik aan het Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking laten weten dat ik een goede gezondheid had en dat ik bereid was om ook na mijn pensionering onderzoek- en adviesopdrachten uit te voeren. Den Haag heeft mij toen nog vijf jaar lang, tweemaal per jaar, dus tot en met mijn zeventigste, uitgezonden. Ik ben zo in de periode 1955-1996, dus in 41 jaar in totaal, in meer dan vijftig landen geweest, voornamelijk Afrika, Azië en het Midden-Oosten en ook in het Caraïbische gebied; nooit in Latijns Amerika omdat ik geen Spaans spreek, wèl herhaaldelijk in Indonesië, omdat ik wel de Bahasa, het vroegere Maleis, spreek.
Van 1972 tot en met 1977 heb ik op verzoek van de universiteiten van Amsterdam, Leiden en Utrecht ieder jaar een zes maanden durende interuniversitaire cursus gegeven met colleges over coöperaties en agrarische kredieten in ontwikkelingslanden. Omdat dat collegegeven me teveel tijd kostte ben ik in 1977 daarmee gestopt, maar ik heb de collegestof omgewerkt tot een boek voor de studenten: Coöperaties voor Ontwikkelingslanden, 170 pagina's, uitgegeven in 1978. Kort daarop kreeg ik het verzoek uit Oxford of men daar dat boek vanuit het Nederlands in het Engels mocht vertalen en uitgeven, zodat die collegestof, gebaseerd op tien jaar ervaring in deze materie, ook beschikbaar zou kunnen komen voor Engelstalige studenten en ook in de ontwikkelingslanden. The Plunkett Foundation for Co-operative Studies in Oxford heeft het in 1982 uitgegeven in de Plunkett Development Series onder de titel Co-operatives for Developing Countries, Objectives, Policies and Practices. Ik ben voor die vertaling herhaaldelijk in Oxford geweest voor overleg met de vertalers, een Engelsman en zijn Nederlandse echtgenote, om zo goed mogelijk de bedoelingen van mijn tekst weer te geven. Kort na het verschijnen van die Engelse vertaling kreeg ik de uitnodiging om een serie colleges te geven aan de universiteiten van Dublin, Gent en Pretoria (Zuid Afrika) en ook aan de docenten van het Co-operative Education Centre in Moshi, Tanzania. Uiteraard ben ik ook herhaalde malen uitgenodigd voor wetenschappelijke conferenties, onder andere van de Wereldbank, FAO en universiteiten.
Ik werd na mijn zeventigste verjaardag niet meer uitgezonden en moest dus eigenlijk een punt achter mijn loopbaan zetten. Ik ben met mijn echtgenote blijven reizen in en naar ontwikkelingslanden als Mexico, India (zelfs tweemaal!), Sri Lanka, Thailand, Indonesië, Egypte, Marokko, Madeira en de Britse Kanaaleilanden. Tot op heden geef ik ook nog regelmatig lezingen met diavoorstelling over die gebieden, met betrekking tot de ontwikkeling van de Hindoe-tempelbouw in Zuid-India, de piramiden en koningsgraven in Egypte, de prachtige, zeer interessante Maya-tempels in Mexico, Sri Lanka en Rajastan in India.
Vanzelfsprekend zijn mijn vrouw en ik ook nog teruggeweest naar Tunesië en Turkije. We hebben in de jaren '60 in beide landen gewoond. Het weerzien viel toch wel tegen. In die tijd was daar bijna geen toerisme; nu waren de zuidkust van Turkije en de oostkust langs de Middellandse Zee bijna dichtgebouwd met hotelketens. Ook was het vrijelijk bezoeken van archeologische plaatsen overal sterk ingeperkt, of aanzienlijk moeilijker te bezichtigen. We waren blij dat we zowel Tunesië als Turkije nog in hun oorspronkelijke situatie uitvoerig hebben kunnen bezoeken in de jaren 1964-1969.
Ik wou na mijn pensionering niet blijven stilzitten, ook al werd ik tot mijn zeventigste nog tweemaal per jaar als adviseur naar ontwikkelingsprojecten in de derde wereldlanden gestuurd. Enkele maanden na het bereiken van mijn pensioengerechtigde leeftijd werd mij gevraagd of ik voorzitter van de Katholieke Bond van Ouderen in Naarden-Bussum wilde worden. Ik heb dat gedaan van oktober 1991 tot juni 2000. Na twee perioden van vier jaar moest ik het voorzitterschap statutair overdragen aan iemand anders. Een opvolger was niet zo snel beschikbaar, zodat ik deze functie acht maanden langer bekleed heb. In september 2000, kort na mijn aftreden als voorzitter van de KBO, werd ik gevraagd of ik de vertegenwoordiger van de Maria-parochie in Bussum wilde worden in de Centrale Commissie voor Interkerkelijk Vormingswerk (CCIV) in Bussum. Alle kerkgenootschappen in Bussum en Naarden waren in die commissie vertegenwoordigd en we organiseerden ieder winterseizoen vijftien of zestien series lezingen over onderwerpen met een religieuze of kerkelijke achtergrond. Zelf heb ik mij in het bijzonder bezig gehouden met het organiseren van lezingen en het zoeken van sprekers daarvoor over onderwerpen die te maken hadden met de Islam of over de positie van de middenoosterse christenen onder de Islam in het Midden-Oosten; verder over de verschillende groepen middenoosterse christenen en hun oorsprong; over religieuze kunst of de invloed van de godsdienst op de kunstuitingen, zowel in de rooms-katholieke als in de orthodox-christelijke gebieden en tradities. Ik heb die inspanning met veel voldoening gedaan, maar ook de contacten en discussies met de vertegenwoordigers van andere kerken waren altijd heel interessant en ècht oecumenisch. Na twee jaar werd ik vice-voorzitter van de commissie CCIV. Nu ben ik nog tijdelijk voorzitter wegens het plotseling overlijden van de voorzitter; in september 2011 zal ik beide functies neerleggen. Ik heb dat werk voor de CCIV dan elf jaar gedaan. In mei 2011 ben ik 85 jaar geworden en vond het nu nodig om mijn taken aan een jongere voorzitter en dito vice-voorzitter over te dragen. Ik heb ook niet het eeuwige leven en intussen zijn er opvolgers voor mijn functies beschikbaar gekomen.
Tot slot kan ik ook nog vermelden dat ik van 2000 tot 2005 lid van de Ledenraad van de KRO geweest ben en van 2000 tot en met 2011 belastingpapieren voor leden van de ouderenbonden heb ingevuld. Dat was een vrijwilligersfunctie waarvoor ik ieder jaar door de Belastingdienst werd bijgeschoold om volledig op de hoogte te zijn van veranderingen in het belastingstelsel om de ouderen, die ik van dienst wilde zijn, zo goed als mogelijk te kunnen helpen. Jongeren hebben die taak inmiddels ook van mij overgenomen.
Lui ben ik nooit geweest, wèl geïnteresseerd. *) P.J. van Dooren: "The role of co-operatives in community-development", Introductory paper for the South Pacific Commission's First Technical Meeting on Co-operatives, held at Port Moresby in 1958. (Ook gepubliceerd in het tijdschrift "Nieuw Guinea Studiën", Jg.3 no 4, oct.1959) En "Co-operative Education and Training in view of some Sociological Aspects of Co-operative Organization" , Introductory Paper voor de 2de technical meeting on co-operatives, georganiseerd door de Zuid Pacific Commissie in Nouméa in 1961. (ook gepubliceerd in "Nieuw Guinea Studiën" Jg 6 no 1, jan, 1962.
**) P.J. van Dooren: "State-controlled changes in Tunisia's agrarian structure" in "Tropical Man", Yearbook of the Anthropology Department of the Royal Tropical Institute, Amsterdam Volume I 1968, pp. 59-108.
***) P.J. van Dooren: "Structural and institutional obstacles facing Turkey's peasant-farmers" in Yearbook of the Department of Social Research of the Royal Tropical Institute, Amsterdam, volume II 1969, pp. 107-161.
Terug naar het verhalenoverzicht