De oorlogsverhalen van Georges Kemmerling
Auteur(s): Georges KemmerlingGeorges Antoine Kemmerling werd geboren te Maastricht op 7 september 1922. Hij is thans woonachtig aan de Potteriestraat 126/a, 6216 VJ te Maastricht, telefoon 043-344 06 48.
De heer Kemmerling beschikt niet over een e-mail adres.
In zijn werkzame leven na de oorlog was hij edelsmid. Foto's van zijn omvangrijke oeuvre getuigen van een uitzonderlijk kunstenaarschap, hoge intelligentie en een voor zijn leeftijd en bittere oorlogservaringen, ongekende vitaliteit. Hij stamt dan ook uit een welgestelde en artistieke familie. Zijn vader ontwikkelde in 1927 de eerste radio in Maastricht volgens het krachtstroomprincipe dat tot dan toe nauwelijks bekendheid genoot. Ook zijn moeder was begaafd: zij speelde sitar, ontwierp hoeden en schilderde. Zij was volgens hem "een duizendpoot." Na de oorlog werkte Kemmerling veel in het buitenland, zelfs in Duitsland en in het Vaticaan.
Uit een akte van de Gemeentepolitie Maastricht, Afdeling Politieke Recherche, van 15 juni 1945 blijkt dat er niets nadeligs over hem kon worden vastgesteld met betrekking tot eventuele oorlogsmisdaden.
Hij werkte als Schlosser (slotenmaker) bij de Alfred Krupp A.G. in Essen, Duitsland.
Hij had van 7 tot 13 april 1943 verlof en woonde in Krefeld van 26 november 1943 tot 25 november 1944 ('Aufenthaltserlaubnis').
Hij werd ingeschreven bij het Arbeidsbureau Maastricht op 29 juni 1945.
Hier volgt het zeer ingrijpende verhaal van zijn oorlogservaringen….
"Naar aanleiding van steeds weer nieuwe berichtgevingen in de Nederlandse kranten in verband met uitbetaling aan voormalige dwangarbeiders, het volgende:
Ik ben geboren op 7 september 1922 te Maastricht. Vanaf 2 mei 1942 tot en met 29 juni 1944 was ik dwangarbeider in Duitsland.
Ik was vanaf oktober 1937 werkzaam bij het constructiebedrijf 'Heer' in Maastricht. Dit bedrijf stond onder leiding van Max Darly, een Duitser. Hij is nooit opgepakt of gestraft voor landverraad.
Deze heer Darly verplichtte zijn werknemers op 10 mei 1940 bij de inval van de Duitsers met snijbranders de stalen wegversperringen door te branden. Dit weigerde ik pertinent, waardoor ik in 1942 bij de Arbeitseinsatz als 'enige' van de dertig werknemers werd opgepakt en weggesleept, onder begeleiding van NSB-agenten, naar Kaldenkirchen bij Venlo.
Van daaruit ging het via een opvangkamp verder met mannen onder begeleiding van de Gestapo naar Essen (Lokomotivenbau). Wij werden daar ondergebracht in een groot barakkenkamp, Gaufeld Essen-Bergeborbeck.
Let wel: dwangarbeiders uit alle andere landen waren verplicht om de andere week dag en nacht te werken. Dat betekende twaalf uur dagdienst en twaalf uur nachtdienst.
Van de Russische krijgsgevangenen stierven iedere dag twintig tot dertig mannen, alleen al bij de afdeling Lokbau en dan nog eens bij de afdelingen Kessel- en Rahmenbau. De Russen zaten meestal op de wc's, uitgehongerd en stierven daar van ellende. Zij werden om de andere dag naar buiten gegooid op een fabrieksterrein en dan verbrand. Wij moesten daarbij helpen. Ons werd duidelijk aan het verstand gebracht dat, indien iemand van 'die dreckigen Ausländer' hier zou proberen weg te komen, hij ook op de brandstapel terechtkwam.
Vooral de Russen waren volgens de Duitsers 'Untermenschen' en dit was 'die Endlösung'.
Het eten was er bar slecht. Vooral de grote kerels waren binnen vier maanden echt ondervoed.
We kregen veel te weinig calorieën binnen, met het gevolg dat we regelmatig door onze knieën zakten van de honger. In de fabrieken werden wij doorlopend bedreigd door SA-mannen, die ons verplichtten te groeten met 'Heil Hitler!'. Toen één zo'n vent mij vroeg waarom ik dat niet deed, antwoordde ik dat ik Nederlander was en dat niemand bij ons deed.
Bij Krupp verdwenen veel Nederlanders. Nooit kwam er iemand achter waar ze gebleven waren.
Iedere dwangarbeider bij Krupp Lokbau had een metalen driehoek met een nummer op zijn overall dat aangaf bij welke afdeling je hoorde. Was je niet op je eigen afdeling, dan grepen die kerels je bij je nekvel en werd je gedwongen terug te gaan naar je werkplek of beticht van sabotage. Je werd dan geïntimideerd en verteld dat je niets was…
Ik was in 1942 vrij jong, twintig jaar, en kon deze afschuwelijke, dramatische toestanden niet goed verwerken. Bij een zwaar bombardement op Essen in 1942 kwamen in Gaufeld Essen veel jongemannen om het leven doordat de hoogspanningsmasten (10.000 volt) getroffen werden door bommen. De koperen kabels lagen dwars over het kamp. In het donker waren ze onzichtbaar en bleven veel slachtoffers er in hangen. Na de aanval van de Britse bommenwerpers lagen de verkoolde lijken naast elkaar, als een waarschuwing voor de overlevenden.
Na de vijfde grote aanval van Engelse en Amerikaanse bommenwerpers was de locomotievenfabriek van Krupp totaal vernield, maar door de inzet van honderden dwangarbeiders binnen de kortste keren weer vrij goed hersteld. Dat wil zeggen: niet meer voor de productie van locomotieven, maar voor de bouw van open wagons.
Ook begon zich nu een nieuwe systeemdwang te ontplooien, in de zin van martelen en moorden. SA-mannen, niet in een bruin hemd met hakenkruis, maar ik een blauwe overall, om niet op te vallen, vielen tòch op door hun sadistische wijze van handelen.
Zonder enige aanleiding mensen martelen was voor deze SA-lieden, die geschifte moordenaars waren, een dagtaak.
Zij hadden naast de Russen weer nieuwe slachtoffertjes ontdekt, Hongaarse halfjodinnetjes, kinderen nog van 14-15 jaar en Italiaanse Badoglio's [naar Pietro Badoglio, Italiaans premier en in het geallieerde kamp], kindsoldaten van 15-16 jaar oud.
Maarschalk Badoglio had met deze jongetjes, samen met de Engelsen, tegen de Duitsers gevochten. Zij werden krijgsgevangen gemaakt door generaal Kesselring en tot slaven gemaakt.
Deze slavenkinderen werden op de meest bizarre manier van het leven beroofd, dus niet alleen in een concentratiekamp, maar ook in de staalfabrieken.
De gangsters probeerden deze kinderen zware zuurstofflessen van 80 kg te laten versjouwen, wat natuurlijk nooit lukte, want deze kinderen waren te zwak. Toen ze dan van ellende in elkaar klapten, werden ze doodgeknuppeld.
Niemand, ook niet de Duitsers, durfden te protesteren. Dat zou ook voor hen onherroepelijk de dood betekenen.
'Die Partei sagte doch, es handele sich um ein Vernichtungslager!'
's Morgens om 5.30 uur werden de Hongaarse halfjodinnetjes gekleed in gekleurde lappenstof zodat zij niet konden vluchten. Ze werden toen ingedeeld in groepen en vanuit hun strafkamp onder begeleiding van de SA en vrouwelijke soldaten, moordenaressen, naar de staalfabrieken gebracht.
Het deed mij huiveren als ik zag hoe die machteloze stumpertjes over straat schuifelden. Zij hadden geen schoenen, maar poetslappen om hun voetjes vastgemaakt met koperdraad!
Het was winter en deze arme kinderen waren uitgehongerd en halfbevroren. Wanneer sommigen niet meer vooruitkwamen en van uitputting op de straat vielen, werden ze door die vieze SS-hoeren met hun bajonet doodgestoken en in de goot getrapt.
Zelfs een Duitser huilde van woede bij deze afschuwelijke aanblik. Hij riep "Mit solchen Schweinehunden werden wir den Krieg verlieren!"
Tegen de bedreiging van dat uitvaagsel en de angst voor deze systeemdwang, die zich in 1943 begon te manifesteren, waren de meeste mensen niet opgewassen. Ze gingen met zekerheid hun ondergang tegemoet. Hier moest lijden en dood de zin vormen van het leven.
Wanneer Max Darly, mijn voormalige werkgever (een klote-Duitser), in 1940 ooit te weten was gekomen dat ik van 1941 tot en met april 1942 regelmatig in opdracht van het verzet Engelse en piloten 's avonds wegbracht vanaf de Oude Wolderweg naar villa 'de Witte Raof' aan het Tongerseplein te Maastricht, was ik wis en zeker geëxecuteerd. In 1986 kwam ik er pas achter dat een zekere Jan Sjoerds, woonachtig aan de H.W. Mesdagstraat in Groningen, bij het verzet in Limburg actief was en mij had uitgekozen als medewerker.
Jan Sjoerds was het ook die rookwaren en voedsel bezorgde voor de piloten onderweg naar een vluchtroute. Sjoerds was douanier aan de grens bij Kanne. Hij wist ook goed de weg in de grotten van de Sint Pieters- en de Kannerberg in de richting van Luik.
Begin september 1943 werd ik met Nederlandse en Franse dwangarbeiders tijdelijk naar een wagonfabriek in Uerdingen, Krefeld, overgeplaatst, in het werkkamp Oppum-Fichte.
Daar kregen wij hetzelfde middageten als de Duitsers uit een gaarkeuken van de fabriek. Dat was een groot verschil met het varkensvoer in Essen.
Deze 'goeie tijd' duurde tot en met 1 december 1943.
Daarna werden we overgebracht naar Duisburg-Huckingen bij Mannesmann Röhren und Hütten Werke.
Wat de bedoeling was om ons daar in te duwen heb ik nooit begrepen. Of wel? ('Opruimen die handel!')
Wij werden in een strafkamp afgeleverd met prikkeldraad rondom en opgesloten tussen fabrieksmuren.
Hier werden we meteen gefotografeerd in een gestreept gevangenispakje en met een nummer op de borst, gezicht naar rechts en links draaiend (waarom?) en in hartje winter tweemaal per week 's ochtends om 03.30 uur met ijskoud water 'afgespoten'. Veel oudere mannen overleefden dit niet. De bedoeling was inderdaad 'opruimen'.
Bij de slachtoffers werd door een fabrieksarts de diagnose gesteld 'verstorben an Herzschlag' of 'Hirnerblutung'.
Ik was niet van plan om bij dit krapuul te sterven!
Na ongeveer zes weken zag ik kans om om half vijf 's ochtends in het kleedlokaal het uniform bij een jongen van de Hitlerjugend weg te nemen en aan te trekken. Ook zijn pet en Duitse schouderschooltas nam ik mee. Bij het einde van de Schicht, om 06.00 uur, verdween ik onopvallend tussen de honderden Duitse arbeiders. Eenmaal in Duisburg wilde ik bij het station niet met de trein naar Essen, maar met de tram in verband met controle van de Sicherheitspolizei.
Ik liep net onder een viaduct door en zag ongeveer 500 meter vóór mij, aan de uitgang van het hoofdstation, circa 150 Duitse soldaten (zij waren met een verloftrein uit Rusland gearriveerd) die plotseling midden op het stationsplein in brand stonden en reddeloos verloren waren. De paniek en het geschreeuw van die mensen ging je door merg en been!
Het was koud, maar zonnig weer. Daardoor had men de gloeiende fosfor die uit de lucht was komen vallen, niet gezien. Amerikaanse vliegtuigen gooiden massa's van dit dodelijke spul naar beneden.
Die vliegtuigen vlogen vrij laag, want je hoorde geen geluid. Het enige dat ik kon doen was in een grote bocht in de richting van Mülheim-Rhur (Nordrhein-Westfalen) lopen en met een tram naar Essen rijden.
Die bewuste dag had ik tweemaal geluk, ten eerste was er de ontsnapping uit dat moordenaarskamp in Huckingen; ten tweede: was ik tien minuten eerder bij de Hauptbahnhof Duisburg aangekomen, dan was ik wis en zeker ook dood geweest.
Wij dwangarbeiders zaten dikwijls in kampen die niet helemaal platgebombardeerd waren, tussen het gekreun van de stervenden en de stank van de lijken. Dat was het geval in het kamp Rabenhorst (Essen).
De aanval van 26 op 27 september 1944 op Essen was zo verwoestend dat nergens meer hulpverleners waren om te helpen. De kampbewoners moesten het nu zelf doen. Ik heb toen met veel vrijwilligers de lijken opgestapeld als een muur, in totaal ongeveer 900 mensen. Jongens en meisjes van ongeveer 17-18 jaar, overwegend uit Kiëv-Dnepropetrovsk en Charkov.
Er was geen schuilkelder in of bij dit kamp, wèl waren er loopgraven. Let wel: Russen mochten nergens in Duitsland in een schuilkelder. De deplorabele toestanden met de zwaargewonden zijn onbeschrijfelijk. Door luchtmijnen, fosforbommen en vloeibare fosfor waren de gezichten van veel jonge vrouwen verbrand. De overlevenden, dus ook wij, 'diese dreckigen Ausländer', dachten dat de oorlog voorbij was.
Dat was dus niet zo!
Op een bepaald moment werden wij met honderdtallen tegelijk bij elkaar gedreven op een grote verzamelplaats. Van daaruit (buiten Essen) ging het naar een betonnen bunker. Onze kleren moesten wij aan haken hangen en dan aan rekken op smalspoorwagentjes. Die rolden dan naar een ontluizingsoven.
Mannen en vrouwen, allen ontkleed, werden dan ingesmeerd met lisol, daarna naar een grote doucheruimte gedreven en afgespoeld met heet water. Als wij dan uit deze spookachtige ruimten tevoorschijn kwamen, mochten we ons afdrogen.
Toen de wagentjes terugkwamen uit de oven waren alle luizen en vlooien vergast; de vieze geur bleef wekenlang in onze kleren hangen.
Na ontluizing in de bunkers gingen wij onder begeleiding lopend naar Mülheim-Ruhr om daar als vee in open wagons te worden gepropt en getransporteerd naar Lintorf. Deze lange trein was al halfvol met mensen uit andere uitgebrande kampen, onder andere Oekraïners, Russische en Poolse vrouwen, Nederlanders, Fransen en Belgen. De reis per spoor liep over Duisburg-Wedau-Kettwig tot Lintorf.
Het Arbeitslager Fürstenberg was heel groot en lag verspreid in de bossen. Na een half uur lopen werd de hele massa zombies ingedeeld in de barakken.
Alle dwangarbeiders moesten 's morgens om half vier opstaan en na een half uur lopen weer per veewagons vervoerd worden naar Essen om daar puin te ruimen. Let wel: ze moesten twaalf uur achter elkaar werken!
Op de terugreis, tegen de avond, werd onze open trein regelmatig aangevallen door (Havilland) Mosquito's, jachtbommenwerpers met boordgeschut.
Eerst was de locomotief aan de beurt, samen met de machinisten. Die kregen nooit de kans om er levend uit te komen en dan werden er ook veel jonge mensen gedood of zeaargewond. Als wij dan uit de wagons probeerden te springen, was het al te laat. Zulke drama's speelden zich af in vijf minuten.
Op een zondag in het kamp Fürstenberg, in Linthof, werden wij Nederlanders met hele groepen mannen uit de barakken gehaald en opgesloten in een grote, donkere loods, als 'voorproefje' en onder bedreiging met de dood door Duitse en Nederlandse SS'ers 'verplicht vrijwillig' te tekenen voor de Waffen-SS. Een voor een moesten we aantreden bij een groene tafel.
Toen ik aan de beurt was, werd mij meteen gevraagd te tekenen. De Nederlandse SS'er schreeuwde nog harder dan de Duitsers. "Waarom teken jij niet?"Ik verontschuldigde me met te zeggen dat ik geen goed soldaat was en dat ik niet gemist kon worden bij Krupp in Essen als electrisch lasser. "Ze"gooide me meteen de deur uit en schreeuwde "Met jou rekenen wij nog wel af!"
Intussen waren er toch minstens 1700 mannen ingetrapt. Velen die vermoedelijk een afwijzend of beledigend antwoord hebben gegeven, zijn meteen afgevoerd naar het concentratiekamp Flossenburg en daar vernietigd.
Onderweg naar het Teutoburgerwald op een rustige weg zonder verkeer tussen Bentheim en Salzbergen, in de richting van Rheine, kwam ik vier mannen tegen die uitrustten aan de berm van de weg.
Het waren drie Duitse en een Russische officier. De Rus liep op zijn blote voeten; hij was verder heel goed verzorgd, wat mij sterk verbaasde. Het was de eerste Russische krijgsgevangene in drie jaar tijd die er fris uitzag. Toen de officieren opstapten werd ik uitgenodigd om mee te gaan in de richting van Rheine. De Rus en ik moesten voorop lopen.
De Russische officier sprak vrij goed Duits. Het was een intelligente man van ongeveer 36 jaar oud.
Waar de Duitsers die man naar toe brachten kon ik alleen maar vermoeden. Mogelijk via Münster naar Paderborn naar 'Stalag 326', een groot Russisch krijgsgevangenkamp. Daar stierven zij met honderdtallen tegelijk als ratten.
De mooie, rustige, zonnige dag op weg naar Salzbergen kreeg plotseling een andere wending. Twee Typhoons, jachtbommenwerpers, schoten ongelofelijk snel met hun boordwapens over de weg; niemand van ons had van tevoren het minste geluid gehoord. Wij sprongen zo vlug als mogelijk in de greppel langs de weg.
De officieren raakten door deze onverwachte aanval niet van streek, maar achter ons bleef een van die Duitsers roerloos liggen. Een kogel had aan de bovenkant van zijn rug zijn lichaam doorboord.
Ik vertrouwde deze zaak niet. Typhoons hadden instrumenten om van duizenden meters hoogte de petten waar te nemen van die militairen.
Toen de Duitsers zich ontfermden over hun collega, maakte ik me snel uit de voeten door een landweggetje in te lopen in de richting van Schüttorf en dat was weer mijn geluk: het stadje Rheine werd een uur later door Amerikaanse bommenwerpers met de grond gelijk gemaakt (Het was goed weer!).
Bij de eerste grote artilleriebeschietingen op het Ruhrgebiet door het Amerikaanse lange-afstandsgeschut met 155 mm granaten, begon bij mij de tijd te dringen om te vluchten.
In de bossen bij Lintorf en Ratingen werden de verborgen munitie-opslagplaatsen diezelfde nacht nog geraakt en vlogen met een hels kabaal de lucht in.
Ook V2's werden getroffen. Ze stonden bij de betonnen lanceerbanen. Het leek wel alsof de wereld verging! De ene explosie na de andere!
Volgens mij was dat geen toeval. Dit was het grote offensief over de Rijn…
Ik was de enige die 's nachts vluchtte; de andere mannen wilden niet mee; ze waren bang om hun koffers achter te laten. In zo'n turbulente, deplorabele toestand interesseerden mij mijn koffers niet meer.
Tijdens mijn vlucht, aanvankelijk zonder doel, kwam ik het eerst terecht in Mühlheim-Ruhr, en van daaruit ging het naar Oberhausen, Gelsenkirchen, Dülmen, Carlsfeld, Ahaus en dan Gronau.
Ik was niet de enige die probeerde om bij Gronau de grens over te komen. Ik voelde wel vlug nattigheid bij het zien van de vele militaire grenswachten. Toen ik merkte dat zo'n vent mij in het oog had, ben ik zo snel als maar kon een straat ingerend, een nooduitgang van een school ingevlucht en aan de achterkant vier uur lang in een schuurtje blijven zitten.
Tegen het donker ben ik weer verder gelopen, nu zoveel mogelijk uit de buurt van het frontgebied in de richting van Münsterland, Bentheim, Salzbergen-Rheinland en dan in de richting van Münster, naar Warendorf. Daar mocht ik vijf dagen blijven bij de mensen van een conservenfabriek. Tweemaal per dag soep met een stuk brood. En bij het afscheid een heel brood voor onderweg. Door deze mazzel kreeg ik weer hoop.
Vervolgens ging de reis via Rheda, Wiedenbrück, Lipstadt, Paderborn terug naar Gütersloh-Versmold. In de buurt van Halle, Borgholzhausen (Teutoburgerwald) kon ik een tijdje blijven slapen in de stal van een boerenfamilie.
Na een paar dagen werd ik en de mensen daar opgeschrikt door een bijzondere luchtaanval van de RAF op Bielefeld, ongeveer 16 kilometer van Borgholzhausen.
De eerste Grand Slam van maar liefst 8800 kg explodeerde en veroorzaakte een schokgolf, waardoor bij de boeren het vee op hol sloeg; ook het kleinvee raakte in paniek.
Volgens de Duitsers was die zware bom bij een bunker in Bielefeld gevallen. Daarin zaten ongeveer 800 mensen. Van die bunker en die mensen is nooit iets teruggevonden. Op de plek waar het ding ooit stond was een gat ontstaan zo groot als een wielerbaan.
Vanuit Borgolzhausen ben ik noordelijker getrokken via Osnabrück, dan Bramsche, Bersenbrück, Löningen, Aschendorf, Papenburg, Weener. Dit traject afleggen duurde vrij lang, want ik was moe!
Het was zo dat mijn onderbewustzijn mij naar de grens van mijn geliefde vaderland terug wilde brengen. Ik voelde ook impulsief dat ik mij niet mocht aansluiten bij groepen vluchtelingen en zo veel mogelijk alleen moest lopen. Zonder het te weten was ik een zwerver.
Als zwerver door Duitsland had ik bijna nooit onderdak en was gedwongen om eten en drinken te bedelen bij boeren.
Ondervoed en uitgeput vergde ik het uiterste van mijn uithoudingsvermogen. Nergens kreeg ik de kans om mijn kleren te wassen, met het gevolg dat, toen ik in Nederland terugkwam, mijn ondergoed en zelfs mijn bovenhemd, in flarden uiteenviel, alsof het gedompeld was in zwavelzuur.
Een geluksfactor speelde aan de grens een grote rol.
Dat de NSB'ers mijn zakken leeghaalden en mij mijn geld afnamen had schijnbaar geen voorkeur bij de twee Duitse grensbewakers, Gestapo's.
Een van die twee Duitsers was om voor mij onbegrijpelijke redenen vriendelijk tegen mij. Hij vond dat ik goed Duits sprak en vroeg waar ik vandaan kwam. Onbewust gaf ik het goede antwoord. "Ik ben van Maastricht. Mijn ouders zijn gevlucht voor de Amerikanen naar de stad Groningen en ik wil ook graag daar naartoe. Als het kan!"
Wat mijn bevattingsvermogen ver te boven ging, was het feit dat aan de grens niemand naar mijn paspoort vroeg; was dat wèl het geval geweest, dan had ik zonder meer het loodje gelegd.
Mijn paspoort was verbrand in Essen. Er was nergens een instantie om een nieuw aan te vragen.
De plotselinge drukte aan de grens bij Nieuweschans kan ook bijgedragen hebben aan mijn geluk.Nederlandse NSB-families die in Bremen eruit waren gegooid omdat ze ongewenst waren bij de Duitsers door een gebrek aan woonruimte.
In heel Noord-Duitsland werden de NSB'ers door hun zogenaamde bondgenoten teruggestuurd. Wat een afgang!
Een van die Duitsers aan de grens gaf mij ook nog een goede tip! "Als je in Winschoten of in Groningen komt, kijk dan goed uit. Ga niet vóór 12 uur de stad in, want 'die Holländer'
organiseren meestal vóór de middag steeds razzias en sturen je terug naar Duitsland of duwen je in een gevangenis!"
En ja, verdomme, het was waar! Ik had gewacht tot zelfs na 13.00 uur en zag op aan het einde van een straat twee zwarthemden recht op mij afkomen. De smeerlappen hadden zó in de gaten waar ik vandaan kwam; ik droeg duidelijk de sporen van verwaarlozing. Nooit eerder in mijn leven had ik harder gesprint…
Na de derde straat zag ik een fotozaak. Als een woesteling vloog ik daar naar binnen. Twee meisjes van ongeveer 22 jaar begrepen direct wat er aan de hand was. Bijna zonder woorden duwde één van hen mij in een klein kamertje. Zij trok aan een rek met fotolijsten dat bevestigd was aan een achterwand die heel soepel meedraaide en perste mij in een ruimte van 50 bij 50 cm. Het leek wel alsof het was afgesproken. Het hele gebeuren duurde maar een paar seconden. De wand draaide weer dicht!
Aan één kant in die ruimte was een smalle metalen muurladder bevestigd. Vanzelfsprekend ging ik voorzichtig naar boven waar ik een luik met een contragewicht kon optillen.
Wat ik toen zag, is om nooit te vergeten; ik stond perplex! Op een hele kleine zolderruimte zat een oude man al vanaf 1941 ondergedoken; hij was joods en begon te huilen van blijdschap. De zielige oude man was pas 59 jaar oud!
Zijn vreugde was niet dat hij een levend wezen zag, maar hoofdzakelijk de geluiden heel in de verte ergens in de buurt van Zwolle, die iedere dag langzaam dichterbij kwamen. Het gebulder van de kanonnen kwam met de wind mee in onze richting. Zijn enige uitzicht kwam door een dakpan op te tillen en daarnaast drie glazen dakpannen voor een heel klein beetje licht.
Na al die jaren van ellende kwam ook voor hem weer hoop. Onze bevrijders, de geallieerde legers, waren in aantocht!
's Avonds tegen zeven uur was het de hoogste tijd om weer te vertrekken naar Groningen. Ik werd opgehaald door een jongen van het verzet.
Bij het verlaten van het pand zag ik de naam op het raam "Fotohuis Drenth".
Het vertrekken gebeurde heel vlug, net zoals bij het verzet in Maastricht, in 1940-'41. Ook daar ging alles heel snel en bijna zonder woorden. De piloten die ik wegbracht spraken Engels, dus dat was sowieso linke soep.
Die jonge verzetsman zei "Spring achterop mijn fiets; ik breng je een stuk op weg in de richting van Hoogezand en dan moet ik weer voor spertijd terug!"
Voordat hij weer terugfietste, stopte hij me nog een briefje in mijn hand met een adres van een pension in Groningen. Het verzet wist wie anti-Duits en betrouwbaar was.
In Groningen zat het vol met gerepatrieerden uit Nijmegen, Arnhem, Venlo en Roermond. Mijn eerste opdracht was mij direct in te laten schrijven bij de Sociale Dienst, anders had ik geen geld om van te leven. Na vier dagen in het pension kwamen alle spanningen eruit. Ik kreeg hoge koorts, mijn gezicht werd rood en blauw en ik zat met vol met koortsblaasjes. Een huidspecialist dacht dat ik het niet zou overleven. Ik was wekenlang doodziek.
Op 15 april 1945 werden wij bevrijd in de stad Groningen door Canadezen, Polen en Schotten.
Toen ging ik weg uit Groningen naar Maastricht, lopend…..
Arnhem, Nijmegen, Venlo en Roermond boden een troosteloze aanblik. Overal was het een onbeschrijfelijke puinhoop. Ook dorpen waren vernield en uitgestorven. Het landschap was overwoekerd met onkruid. Nergens was er een levend wezen te zien. Het was onwezenlijk. Hier was de tactiek van de verschroeide aarde toegepast….
Langs de wegen stonden de telefoonpalen schots en scheef. Ze waren achtergelaten door het leger, vol met hele dikke bundels doorhangende kabels.
Aan beide kanten van de wegen stonden uitgebrande voertuigen, vernielde tanks, metershoge stapels messing granaathulzen en grote stalen kisten, maar ook ongebruikte granaten. Het waren de stille getuigen van een grootschalige, georganiseerde dood.
Tussen Echt en Susteren waren twee mannen bezig het reservewiel op hun oude vrachtauto (van Meijs Expeditie) te monteren. Zij waren onderweg naar Maastricht en nodigden mij uit om mee te rijden. Achter in de laadruimte zaten nog meer mensen. Zij waren helemaal versuft; er werd geen woord gewisseld. Het was die dag snikheet; ik kon niets meer zeggen. Mijn tong plakte aan mijn gehemelte. Ik was uitgedroogd en leeg van binnen.
In mijn achterhoofd speelde desalniettemin de gedachte "eindelijk naar huis......"
Die duivelse, smerige, vieze porumsmoelen van de SS-hoeren [sic] die kinderen vermoordden doen mij nu nog pijn. Die machteloosheid vreet nog steeds aan mijn ziel.
De oogjes van die arme, zielige Hongaarse en Italiaanse kinderen, met maar één vraag in hun blik, "Help mij toch!", blijven tot aan mijn dood op mijn netvlies. De geestelijke schade die ik hierbij heb opgelopen, onzekerheden, angsten, verdriet. dodelijke vermoeidheid, depressies, wanhoop en oriëntatiestoornissen kunnen hoogbegaafde wetenschappers met een foto of ECG-scan niet zien, maar je zit er wel je hele leven mee opgezadeld…..
Hierbij een overzicht van dwangarbeiderskampen waar ik verbleef. Vanwege de bombardementen werd ik steeds weer verplaatst naar de andere kampen:
Aankomst Essen-Bergeborbeck
Gaufeld
Frintrop (Essen)
Weitkamp (Essen)
Rabenhorst (Essen)
Humboldt (Essen)
Fürstenberg (Lintorf, bij Düsseldorf)
Oppum (Krefeld)
Strafkamp Huckingen (Duisburg)
Mannesmann Röhren- und Hütten Werke
(Getekend) Georges Kemmerling, 1942-1945"
Terug naar het verhalenoverzicht