De Kazemattenkoorts voorbij

Auteur(s): W. Pieters
Redactie: Rob Kamps

De oorlog liep ten einde. Dat kon men vooral zien aan de bewegingen van de Duitse Wehrmacht. Het ooit zo machtige leger ging deerlijk gehavend op huis aan.

"Het feit dat het luchtruim continu vol geallieerde vliegtuigen zat zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Met dat alles nam de ongerustheid onder de burgerbevolking echter toe, waardoor de kelders gestadig vol met mensen zaten. Dat begon al veertien dagen vóór de bevrijding.

Op vrijdag 1 september 1944 was er al luchtalarm van half negen tot tien uur en ook de rest van de dag was de lucht vergeven met vliegtuigen. Geleidelijk viel de avond toen een paar auto's van de Organisation OT* in onze straat onder de bomen parkeerden. Al snel was de straat rond hun wagens bezaaid met lege vleesblikken, jenever- en wijnflessen en allerlei andere rommel.

Toen de heren er lucht van kregen dat ze bij onze prachtige schuilkelders zaten - ze wisten drommels goed dat het een paar kilometer verderop niet bepaald rustig was - besloten ze de nacht hier door te brengen. Zo werden wij die nacht opgescheept met een stel dronken kerels. De volgende dag werd de situatie grimmiger. Men zag steeds meer troepen die zich terugtrokken en nog meer vliegtuigen bromden in de lucht. Daardoor werd het in de kelder steeds voller. Mensen uit Wolder, Wyck, Amby en Caberg zochten er hun toevlucht.

Op dat moment kwam er bezoek van iemand die wij bijna een jaar lang hadden verzocht om eens te komen kijken in verband met de onhoudbare toestanden: de inspecteur van Volksgezondheid. Uitgerekend nu de kazematten tot de nok toe vol zaten met mensen en het er wemelde van de zieken kwam hij kijken en concludeerde dat het er niet fris rook! Een vreemde opmerking op zo'n moment… We waren daaraan gewend geraakt en het zou niet lang meer duren.

Op donderdag 7 september lieten de Duitsers 's nachts de spoorbrug in de lucht vliegen. Dat bezorgde ons weer een extra bezetting. Toen men op vrijdag al het zware geschut van de Amerikanen kon horen en de Duitsers zich de hele dag bezig hielden met alles op het spoor op te blazen, moesten wij voor de eerste keer mensen weigeren. We hadden echt geen plaats meer.

Toch zou die nacht de bezetting van onze kelder met één persoon worden uitgebreid. Rond een uur of elf werd door het hoofd van de schuilkelder die in een aangrenzend vertrekje zat aan iedereen het verzoek gericht om hulp voor een zwangere vrouw. Ze was nog niet helemaal uitgeteld, maar nu, door al die consternatie, moest zij bevallen. Aangezien men dit intiem familiegebeuren toch niet zó in een kelder kon laten plaatsvinden in de aanwezigheid van honderden mensen en er op die afdeling naast de onze geen afgezonderde plek was om dat te laten gebeuren en bij ons wèl, werd dat verzoek gelijk ingewilligd.

Terwijl tot beneden in de kelder zich duizenden mensen schuilhielden om hun leven toch maar zolang mogelijk te rekken, de Duitsers op de begane grond met hun Sprengkommandos ons spoorwegmateriaal en sommige fabrieksinstallaties verwoestten en boven onze hoofden de vliegtuigen met honderden tegelijk in de lucht waren om zoveel mogelijk materiaal en mensenlevens te vernietigen, voerde bij ons beneden in de kelder een vrouw een dapper gevecht voor het schenken van nieuw leven aan deze rotwereld.

De oorlog had bijna vijf jaar geduurd en was bijna afgelopen, maar onze levenskansen waren nog steeds om van te huilen. Hier beneden hadden we alles dat we nodig hadden binnen tien minuten binnen handbereik. Toen om vijf uur 's ochtends het kindje geboren werd, had het thuis geen betere ontvangst kunnen krijgen. 's Middags bij de doop hield iedereen een kinderfeestje met de spulletjes die men zelf had meegenomen. Die dag was het behoorlijk rumoerig en dat werd met het uur erger. De kelders raakten voller en voller. We konden de mensen nauwelijks herbergen. De lucht beneden werd bijgevolg steeds onfrisser. Iedereen kreeg het benauwd. De tomatensoep zal daaraan voor een groot gedeelte debet zijn geweest. Of dat nou door de oranje kleur kwam of dat ze zo gauw en gemakkelijk te bereiden was, is niet bekend.Een feit is wèl dat wij 's middags altijd tomatensoep aten. Misschien is dat de reden dat ik die soep tot nu toe niet meer kan zien.

Toch, achter de wolken, begon de zon te schijnen, al zorgden de Duitsers nog voor een fikse donderklap op 13 september tussen drie en vier uur 's middags door de Maasbruggen de lucht in te laten vliegen. Dat kon niet verhinderen dat om een uur of zeven die avond de geruchten de ronde deden dat de Amerikanen al in Wyck zouden zijn. Die geruchten werden voor enkele intimi rond een uur of tien waarheid die wij wijselijk voor ons hielden. Dat was een zware opgave. Bij ons boven op straat trokken op dat moment nog altijd de laatste troepen uit de linie aan het Albertkanaal zich terug. Die nacht werden de vaderlandse liedjes die men zo lang had moeten opsparen flink gerepeteerd. Toen de dag in de lucht kwam en hier en daar de eerste rood-wit-blauwe vlag tevoorschijn werd gehaald en 's morgens de eerste Amerikanen de Tongerse- en Cannerweg afkwamen, was al het leed geleden en heb ik voor de eerste keer moeten ingrijpen toen iedereen de kelders verliet."

*Genoemd naar Fritz Todt, Generalinspektor für das deutsche Strassenwesen. Hij was verantwoordelijk voor de aanleg van de Reichsautobahnen. Vanaf 1940 was de OT ook actief in de bezette gebieden met de aanleg en het herstel van straten, bruggen, spoorwegen en natuurlijk ook schuilkelders.

Terug naar het verhalenoverzicht