De dood van agent Matthias Houben
Auteur(s): Boy HoubenRedactie: Rob Kamps
Het werk bij de Zinkwitfabriek achter de Franciscus Romanusweg was vies, zwaar en bovenal een aanslag op lichaam en geest van hen die zich bij de gloeiendhete ovens ophielden. In die ovens werden de pigmenten zinkwit en lithopoon vervaardigd.
Het was een welvarend bedrijf in 1929, die Zinkwit. De beurskrach van oktober lag nog drie maanden in het verschiet. Ondanks dat de firma miljoenen verdiende, moesten de arbeiders maar zien hoe ze de eindjes aan elkaar konden knopen. De arrogante directie kon het zich daarom permitteren om de toestanden te laten voor wat ze waren en 'haar' arbeiders te laten zwoegen. "De Maastrichtse Zinkwit Maatschappij is een afbeulende inrichting", zonder oog voor "menselijke waardigheid", oordeelde het Katholieke Werkliedenverbond in een rapport.
De vlam sloeg in de pan op 21 juli 1929 toen zes mannen van de nachtploeg op staande voet ontslagen werden omdat ze een half uur te vroeg met werken waren gestopt. Vijf van hen waren lid van de socialistische fabrieksarbeidersbond. Collega's legden spontaan het werk neer; een wilde staking was het gevolg. Men eiste het recht om zich te organiseren in een vakbond. De kerk oordeelde dat de katholieke arbeiders zich niet mochten associëren met de goddeloze rooien. De Zinkwitdirectie erkende de katholieke bond wèl.
Toen de katholieken het werk op 2 augustus wilden hervatten, liepen duizenden de straat op om dat te verhinderen. Stakers stonden nu tegenover de werkwilligen, rood tegenover blauw. Fikse rellen ontstonden in wijken waar veel arbeidersfamilies woonden, onder andere aan de Statensingel. Om de duikboten, werkwilligen, verraders, naar en van het werk te begeleiden, kwam er hulp van de gemeentepolitie. Zij kon de slag met de arbeiders alleen niet aan en kreeg hulp van de marechaussee. Dat zorgde in het keurige Maastricht voor ongekende opstootjes. De dramatische ontknoping volgde op 16 oktober 1929 toen katholieke politiemannen besloten om eigenhandig een eind te maken aan de rellen.
Elke avond was er een volkstoeloop op de Statensingel. Op die weg kwamen aan het einde van hun dienst groepjes werkwilligen langs onder begeleiding van de marechaussee. Negen agenten hadden besloten zich verdekt op te stellen in de achter de singel gelegen vestingwerken.
Nadat twee waarschuwingsschoten waren gelost, kwamen ze al schietend tevoorschijn en dreven zó de menigte uiteen. In de blinde paniek die ontstond, maakten de marechausssees die op dat moment met de werkwilligen voorbijkwamen eveneens gebruik van hun pistolen. In de mèlée vielen er slachtoffers: agent van gemeentepolitie Matthias Houben, 33, raakte zwaar gewond. Naar verluidt boog de socialist Hubert Beckers, 32, zich over hem heen om hem te helpen. Een kogel maakte direct een eind aan zijn leven. Houben overleed vier dagen later.
Op 20 oktober, na de beide begrafenissen, besloten beide partijen dat het genoeg was geweest en werd het werk bij de Zinkwit gezamenlijk hervat.
Boy Houben, gepromoveerd in de microcirculatie (kleinste bloedcirculatie) en kleinzoon van Matthias, vertelt dat er op die noodlottige 16de oktober bij zijn oma aan de Ruttensingel op de deur geklopt werd door enkele politieagenten in gezelschap van de buurvrouw. Haar man was inmiddels naar het ziekenhuis Klevarie gebracht waar hij later zou overlijden. Over de aard van de verwondingen is niets bekend. Bovendien is er rond de toedracht veel onduidelijkheid. Op Hoog Frankrijk zou vanuit een ruit zijn geschoten. Of er een gedegen politie-onderzoek is geweest?
Matthias Houben werd begraven op kosten van de gemeente. Hoewel oma financieel ondersteund werd, waren de crisisjaren met drie kleine kinderen zware tijden, een reden waarom Jo, de vader van Dr Houben, bij familie in Elsloo werd ondergebracht.
Terug naar het verhalenoverzicht