De boom

Auteur(s): W Hoogland
Redactie: Rob Kamps

"Het was winter en het vroor zó hard dat de adem die ik uitblies zich gelijk als ijzel afzette aan de randen van mijn dekens. Ik staarde naar het plafond en zag langs de spanten van het houten dakbeschot hier en daar de heldere vrieslucht. In de verte klonk het geluid als van het omhakken van een boom en ik kroop nog dieper onder de dekens. Juist op het moment dat ik lag te mijmeren over hoe het zou zijn als de oorlog eindelijk voorbij was, werd er ruw op het raam geklopt.

Ik hoorde hoe mijn moeder beneden het gordijn openschoof en een Duits sprekende man haar vroeg: "Wo ist dein Mann?" "Im Krankenhaus!" antwoordde mijn moeder in haar beste Duits, waarop de man wegliep. Mijn vader was niet ziek. Nee, gelukkig niet! Pa was timmerman en het merendeel van zijn werkzaamheden bestond uit het maken van lijkkisten. Een goede keus, zo bleek later; het was nog de enige manier om aan hout te komen. Nu was Pa in het ziekenhuis om de maten van de overledenen op te nemen.

Wanneer hij dan thuiskwam, speelde er altijd zo'n vage glimlach om zijn mond en zei hij tegen mijn moeder: "'t Is een lange!" en mijn moeder begreep dan dat hij veel hout nodig had. Nu ging het volgens Pa altijd om een lange, al waren ze maar één meter! Toen ik de volgende dag naar school ging, zag ik dat er een paar huizen verder een prachtige boom was omgehakt. Het ijzeren hek waarmee de reus beschermd was geweest tegen honden en katten was 'voorbewerkt' en lag niet ver van de stronk.

Eenmaal thuis vertelde ik mijn vader wat ik had gezien. "Daar ook al?", mompelde hij. "Verderop ook al twee en hier voor de deur hebben ze geprobeerd het gaas door te knippen, maar ik heb het weer stevig vastgemaakt, hoor!", zei hij. Lang vóór de oorlog uitbrak woonden wij in een buurt die rijkelijk was voorzien van groen.Ooit stonden er drie rijen met bomen. De straat was verdeeld in twee rijstroken, één was bestemd voor auto's, de andere voor fietsers. Eén bomenrij was al lang geleden gerooid vanwege het toegenomen autoverkeer. Er klonk iets melancholisch in de stem van mijn vader toen ik hem vroeg "Vindt u het dan niet erg dat die andere bomen nu ook gerooid worden?" "Ja, natuurlijk, maar zou jij, net uit school vandaan, in een koud huis willen komen omdat je moeder geen hout heeft om het fornuis op te stoken?" "Nee, dat niet", zei ik.

's Avonds kroop ik weer diep onder de dekens om maar niet het gehak tegen de bomen te hoeven horen. "Pa!", schreeuwde ik de volgende ochtend. "Ze hebben vannacht geprobeerd om het ijzeren hekje te slopen. Het is al voor één meter opengeknipt!" Mijn vader ging naar buiten met een tang en wat ijzerdraad en zette alles weer stevig vast. "We zullen eens zien wie dit het langste volhoudt!"

Helaas werd het hout voor de lijkkisten steeds schaarser en van de schamele levensmiddelen die ons ter beschikking stonden moest toch iets van warm eten worden gemaakt. Ook de kachel moest blijven branden. Goede raad was duur, maar een boom omhakken kwam niet bij mijn vader op. Toen ik hem vroeg "Zullen we dan…?", maar verder kwam ik niet. "Oh nee! Daar is geen sprake van!" en voor het eerst zag ik iets van woede in zijn ogen.

Gelukkig was er weer een kist om te maken en weer werd het een lange. Die kwam alleen in een iets te kleine kist, waardoor de kachel wat langer kon blijven branden. Toen ik op een dag uit school kwam en mijn vader fluitend door de werkplaats zag lopen, vroeg ik hem "Weer een kist?" "Nee, ik ben vanmorgen bij de Ortskommandant geweest en we hebben toestemming gekregen om alle boomstronken te rooien. Weet je wat dat is, een Ortskommandant? ", vroeg hij. Ik moest de vraag ontkennend beantwoorden. Mijn vader antwoordde dat het een soort burgemeester in oorlogstijd was. "Ik ga vanmiddag meteen beginnen!"

Zo kwamen we de winter door. Ik ging braaf naar school en Pa zorgde ervoor dat de kachel kon blijven branden. Het voorjaar kwam, maar de laan was geen laan meer. Slechts één boom had de barre winter overleefd: die van mijn vader. Belerend zei hij tegen mij: "Zie je, als je wil lukt alles!"

In september 1944 werden we bevrijd en Pa had een groot houten podium vóór het huis gebouwd. De gevel was versierd met portretten van de koningin; lampions hingen in de boom en oranje slingers maakten het geheel compleet. 's Avonds zag ik vanuit mijn zolderraam hoe een uitzinnige menigte zich hier al zingend en dansend vermaakte. Nog nooit had ik mensen zó blij gezien. Ik zag hoe feëriek de lampions hun warme gloed uitstraalden op het loof van de boom. Ik was bijzonder trots op mijn vader! Het leek alsof er geen einde kwam aan het feest; de mensen gingen door tot in de kleine uurtjes. Aan ophouden en naar bed gaan leek niemand te denken. Dit mocht wat mij betreft eeuwen duren. Het leek wel een sprookje!

Pas veel later kwamen de mensen tot bezinning en hernam het leven weer zijn normale loop. Op een dag kwam ik thuis en vroeg mijn vader "Wat kijkt u bedroefd?" "Er is iemand van de Gemeente langsgeweest. Men wil overal nieuwe bomen planten en die van ons zal dan moeten verdwijnen!" Ik begreep dat dit een enorme klap voor hem moest zijn en troostte hem met de opmerking dat kleine bomen ook weer groot worden. "Ja ja", stamelde hij, "net als kleine kinderen…" Nu, jaren later, denk ik dat ik me zou hebben vastgeketend aan die boom en ze me met stam en al hadden moeten rooien…."

Terug naar het verhalenoverzicht