De Bom op de Sint Antoniuslaan

Auteur(s): Anoniem

De verteller woonde als zesjarige in de Sint Antoniuslaan. Toen viel die bom….

"In 1944, toen we bevrijd werden, was ik zes en daar kan ik mij nog wel iets van herinneren. Van de oorlog zelf natuurlijk niet. In augustus '44 hebben de Amerikanen ons hier gebombardeerd. Ik woonde toen aan de Sint Antoniuslaan, nummer 26. Ik vond het prachtig om naar die zilveren vogels te kijken. Ik moest een brood gaan halen bij de Beatrix, de bakker tegenover de Suringarschool in de Louis Loyensstraat. Zilveren vogels had ik nog nooit gezien - had niemand ooit gezien. Mijn vader kwam omgevlogen om me te halen. Toen we thuis waren, in de gang, viel de eerste bom. Of dat dezelfde was als die in de Membredestraat ontplofte, weet ik niet. Dáár lag in ieder geval ook alles plat. Ik geloof dat aan die kant nu de laagbouw met de Indische toko is gevestigd.

Ik heb in ieder geval geen trap aangeraakt. Door de luchtverplaatsing zijn we de kelder ingezweefd, zal ik maar zeggen. Had ik daarbij een blauwe plek of een gebroken arm opgelopen, dan had ik door die spanning dat niet eens gemerkt. Wij woonden in een oud huis, recht tegenover de slager, het eerste aan de linkerkant van de straat.

Ik heb die bom natuurlijk niet gezien, voelde wèl de luchtdruk. Alles was kapot. Hoe lang dat heeft geduurd kan ik niet zeggen, maar spannend was het wel. Mijn vader heeft van zijn leven slechts twee keer gebeden. Dat was toen mijn oma stierf èn toen die bommen vielen….

Na de oorlog zijn voor ons moeilijke tijden aangebroken. Armoede - gaarkeukens in de kleuterschool aan de Louis Loyensstraat waar ik met een keteltje heen moest. We waren met zijn zevenen; vijf kinderen. Ik was bijna de jongste. Iedereen heeft het overleefd. In het Roeddörrep zijn de nodige doden gevallen. Mijn vader heeft het huis aan de voorkant dichtgetimmerd met planken. Wij waren gedwongen het te verlaten, want er lag geen pan meer op het dak en er was ook geen ruit meer heel. Ik werd met mijn zusje bij een tante in de Calvariestraat ondergebracht. De rest ging naar de Sint Pietersberg. Er was geen privacy daar. Stro werd op de grond gelegd, en de mensen lagen met wat tussenruimte naast elkaar.
Onze overburen letten op het konijn en op het huis. Dat beestje hadden wij van ene Chapin uit Borgharen gekregen. Toen we wegtrokken bleef het konijn achter. Het was eigenlijk bestemd voor de Kerst. Die Chapin kwam het dier slachten, want mijn vader kon dat zelf niet. Eenmaal geslacht, had mijn moeder de bouten op de keldertrap gezet, op een plankje werd dat toen gedaan. We hadden ook een kat. Die kon daar normaal gesproken niet aankomen. Als ze erop afsprong, zou ze naar beneden vallen. Mër toen had ze dee knien te sjare, hè! Dat was natuurlijk een ramp; eens per jaar was er konijn met de kerst en nu bleek die opgevreten door de kat! Wat Pa daarna met die kat heeft gedaan, zal ik maar niet vertellen!

Toen we eenmaal in de berg zaten, kwam de bevrijding. We zijn naar de Markt verhuisd en de armoede begon. De winters waren in die tijd streng en we stierven bijna van de kou. Armoede, armoede en nog eens armoede. Mijn oudste broer had een jas. Die kreeg ik nadat hij eruit gegroeid was. Ik kwam echter niet in de zakken!!! Langzamerhand ging het beter. Uiteindelijk gingen we terug naar de Sint Antoniuslaan. Toen ik 14 was, in 1952, verhuisden we naar de Franciscus Romanusweg 39, het tweede huis om de hoek."


Terug naar het verhalenoverzicht