Belevenissen in Bosscherveld

Met medewerking van: Ton Hermans

Ton Hermans (*8 maart 1935) woonde sinds 1938 met zijn familie aan de Goltziusstraat 4 in Bosscherveld, pal naast het Krèjjedörrep. Zijn vrouw Jessie Schuimer (*1 augustus 1941) werd geboren in Blauw Dorp in 1941, drie maanden vóór het november-bombardement op die wijk.

"Ik was negen jaar in 1944. Op die vrijdag in augustus '44 werd er na de eucharistieviering  een wandeling georganiseerd door de kerk. Een groep van 30 katholieke kinderen ging toen richting de Sint Pietersberg. Wij speelden er de hele dag. Op een bepaald moment ging het luchtalarm. We liepen snel de berg af. Beneden lag het café de Schans. Daar werden we in twee groepen verdeeld omdat er zoveel kinderen waren. De ene helft ging bij de Schans de schuilkelder binnen, de andere helft in het café er tegenover. Toen het alarm voorbij was verlieten we de kelder weer. Eenmaal bij de Statensingel richting Bosscherveld aangekomen, ging het alarm opnieuw af. We renden naar de kazematten en vlogen naar binnen. Mensen kwamen ons gillend tegemoet: "Ze höbbe Bosseveld gebombardeerd!" Bosscherveld lag tegen het Krèjjedörrep aan.

We speelden wel vaker in de werken, maar ik heb niets meegekregen van het bombardement. Er heerste paniek onder de kinderen, maar tot ieders opluchting bleek er bij thuiskomst niets gebeurd te zijn. Mijn vader zat bij de Bescherming Bevolking. Hij heeft in het Krèjjedörrep dus meegeholpen en vertelde bij terugkeer dramatische verhalen, bijvoorbeeld dat van de familie Huiskens met acht doden in één gezin, zes kinderen, hun vader en diens moeder… De moeder bleef met het oudste kind alleen achter. Ik heb ook het een en ander meegekregen van de begrafenisplechtigheid aan de Tongerseweg, dat het er zo stonk. In het begin was alles afgezet en mocht niemand in de vernielde wijk komen; twee weken later mocht dat wèl en wát ik zag heeft grote indruk op me gemaakt. Het was een gouden jaar voor ons wat schoolgaan betreft. We hadden slechts één halve dag per week les op school. De lokalen waren vrij groot. Achter het oude MVV-terrein lag allerlei kapotgeschoten oorlogstuig, jeeps, enzovoort, een ideaal speelterrein dus. Voor mijn ouders was het natuurlijk een rotjaar, maar wij hadden een geweldige tijd. De Amerikanen zaten in het parochiezaaltje in de kerk. Ik was er misdienaar en na de mis vlogen wij onder in het zaaltje waar de Amerikanen de kinderen van alles gaven. Een zwarte Amerikaanse soldaat vroeg "Do you have a sister?" Ja, nou, die moest ik ook maar eens meenemen. Ze was pas negen jaar! Ik vertelde het tegen mijn moeder. Mijn zus nam ik daarna mee naar de Amerikanen. Die zwarte bekeek mijn zus eens en gaf haar toen een reep chocola! De mannen verveelden zich stierlijk, maakten vaak een ring en organiseerden bokswedstrijden. Ze duwden de Maastrichtse jeugd bokshandschoenen aan en toen maar knokken! Het was een spannende, maar ook een angstige tijd." 

Echtgenote mevrouw Jessie Schuimer woonde tijdens het bombardement in Blauw Dorp. "Wij hadden thuis een winkel. Bij het november-bombardement van 1941 ging de etalage helemaal kapot. Mijn vader ging naar buiten om te kijken en twee oudere dames vlogen hem in het portiek in zijn armen door de luchtdruk.

Mijn opa en twee zonen woonden op de benedenverdieping in hetzelfde huis. Tegen het einde van de oorlog kwam een zwarte Amerikaan in de winkel en raakte met mijn moeder aan de praat.  Mijn opa was al tien maanden ziek. Hij lag met longontsteking in bed in de huiskamer achter de winkel. De soldaat vroeg of wij er met meerdere mensen woonden. Hoe het precies ging weet ik niet meer. Hem werd verteld dat opa ziek was en hij vroeg of hij hem even mocht zien. "Next week I'll be back!" En inderdaad: de week daarna kwam hij terug, maar met een heleboel levensmiddelen. Opa knapte op en zou pas in 1964 overlijden. Die Amerikaan hebben we helaas nooit meer gezien."

Terug naar het verhalenoverzicht