Ambtenarenverhalen
Retorica in de raad
Auteur(s): Léon MinisMet medewerking van: André Willems, Erwin Gerardu
In de vijfde eeuw voor Christus ontstond in de Griekse wereld met name in het democratisch bestuurde Athene, behoefte aan scholing in mondelinge taalbeheersing. Politiek en rechtspraak waren, anders dan in meer traditioneel ingestelde samenlevingen, gebaseerd op het gesproken woord, waarbij overtuigingskracht meer gewicht in de schaal legde dan rijkdom en fysieke overmacht. In dezelfde periode waren filosofen bezig met discussies om de staatkunde van een logische basis te voorzien.Aristoteles schreef een helder handboek over argumentatieleer en stijl: de Retorica. Iedereen die maar enigszins hogerop wilde of voor beschaafd wilde doorgaan volgde een retorische opleiding. Wie erg mondig was kwam al gauw voor een bestuurlijke loopbaan in aanmerking. Wat dat betreft is er maar weinig veranderd. Sprekers in de politieke arena blinken doorgaans niet uit in beknoptheid. Als je goed oplet merk je dat iemand wel eens drie keer hetzelfde zegt, soms in andere bewoordingen. Voordeel daarvan is natuurlijk dat het beter doordringt bij de toehoorders, maar de kans dat men helemaal niet meer luistert is natuurlijk ook aanwezig. En dan zul je dat allemaal maar moeten opschrijven.
De stadsklerk, de gemeenteambtenaar uit de Middeleeuwen, wordt op oude schilderstukken afgebeeld met een pen achter het oor en een schaar in de hand. De schaar betekende dat de stadsklerk lange betogen en verhandelingen moest kunnen inkorten en de essentie van de pleidooien moest kunnen opschrijven.
Het tegenovergestelde van raadsleden met lange pleidooien heb je ook. Van 1945 tot 1946 en van 1953 tot 1958 zat in de gemeenteraad een raadslid J. H. Hofman, die nooit het woord voerde. Behalve één keer toen het ging over het maken van openbare urinoirs.
Het was indertijd een onderwerp van maatschappelijke importantie. Tijdens de tweede we-reldoorlog waren namelijk alle urinoirs afgebroken. De discussie ging over het herstel daarvan. De maatschappelijke betrokkenheid bleek onder meer uit het opschrift 'Maastricht eischt pissoirs' dat iemand op een muur had geschilderd waar eerst een urinoir tegenaan gemetseld was geweest. Een foto van dit opschrift stond zelfs in de Volkskrant. In ieder geval onze Hofman zei letterlijk het volgende: 'Meneer de voorzitter, als ik sondigs eens met mijn vrouw uit wandelen ga en zij móet eens, dan kan ik haar de kaffee inslingeren om haar te ontlasten.'
De hele raad was perplex, behalve burgemeester Michiels van Kessenich (burgemeester van 1937 tot 1967) die ad rem concludeerde dat er een nieuwe bladzijde aan Hoffman's Erzählungen was toegevoegd. De notulist van de vergadering had veel overleg met menig collega voordat hij het citaat als een bruikbare zin in de notulen kon krijgen.
Uiteindelijk maakte hij er maar het volgende van: Ook de heer Hofman is een voorstander van het voorstel.
Afb: Mr. Willem Baron Michiels van Kessenich (burgemeester van 1937 tot 1967)
De verhalen:
Ambtenarij in de vierde eeuw na christus:corruptie troef, Brandweerbeeldje: botsingen tussen culturen om kunst, Breur Lemmens: een mythe, De eed, De kunst van het relativeren, Gemeente ambtenaren: historische figuren, Hoort de rode vlag bij het socialisme of bij Maastricht?, Jacques van de Venne: een held, JJ, KK en MM: rituelen, Kerk en staat, Leny Scheyven: rituelen, Maastricht en Oranje, Martin Jammers en het toepassen van regels: rituelen, Nico Kempeners, een mythe, Nieuwjaarsreceptie: rituelen, Openbaarheid, Philip Houben; een held, Pie Fabry: rituelen, Ronald Stans, een mythe, Taal : beleidsjargon, Taal : communiceren, U of jij?, Zo buiten zo binnen: de bouwvergunning met glacé handschoenen,
Terug naar het verhalenoverzicht